Gerelateerd aan Ruth 2:20

Gerelateerd aan Ruth 2:20

Ruth 3:9

'Wie is daar?' vroeg hij. 'Ik ben het, Ruth, 'zei ze. 'Wilt u mij bij u nemen, want u kunt voor ons als losser optreden.'
Gerelateerd aan Ruth 2:20

2 Samuel 2:5

David stuurde afgezanten naar Jabes in Gilead met de boodschap: 'Wees gezegend door de HEER, omdat u trouw hebt bewezen aan uw heer Saul en hem begraven hebt.
Gerelateerd aan Ruth 2:20

Leviticus 25:25

Wanneer een van jullie tot armoede vervalt en een deel van zijn grond moet verpanden, kan zijn losser, zijn naaste verwant, zich aanmelden om het pand voor hem in te lossen.
Gerelateerd aan Ruth 2:20

Deuteronomium 25:5

Wanneer twee broers bij elkaar wonen en een van hen sterft zonder dat hij een zoon heeft, dan mag zijn weduwe niet de vrouw worden van iemand buiten de familie. Haar zwager moet met haar slapen; hij moet haar tot vrouw nemen en de zwagerplicht tegenover haar vervullen.
Gerelateerd aan Ruth 2:20

Spreuken 17:17

Een vriend is je altijd toegedaan, je broer is geboren om te helpen in tijden van nood.
Gerelateerd aan Ruth 2:20

Ruth 4:14

De vrouwen zeiden tegen Noömi: 'Geprezen zij de HEER, die jou vandaag iemand gegeven heeft die voor je zorgen zal. Moge zijn naam in Israël blijven voortbestaan!
Gerelateerd aan Ruth 2:20

Filippensen 4:10

De Heer heeft mij veel vreugde gegeven nu u eindelijk uw zorg voor mij hebt kunnen tonen. U dacht altijd al aan mij, maar vond niet de gelegenheid het te laten zien.
Gerelateerd aan Ruth 2:20

Job 19:25

Ik weet: mijn redder leeft, en hij zal ten slotte hier op aarde ingrijpen.
Gerelateerd aan Ruth 2:20

2 Timotheüs 1:16

Moge de Heer zich ontfermen over de huisgenoten van Onesiforus, want hij heeft mij vaak opgemonterd en zich niet voor mijn gevangenschap geschaamd.
Gerelateerd aan Ruth 2:20

Job 29:12

omdat ik de arme redde die om hulp riep, en de wees die in de steek gelaten was.
Gerelateerd aan Ruth 2:20

Ruth 4:6

Toen zei de man: 'Dan kan ik mijn rechten niet doen gelden, want dat zou ten koste gaan van mijn eigen familiebezit. Neemt u het maar van mij over, want ik kan het me niet veroorloven.
Gerelateerd aan Ruth 2:20

2 Samuel 9:1

David vroeg: 'Is er nog iemand over van de familie van Saul? Die zal ik dan goed behandelen, dat ben ik aan Jonatan verplicht.'