SV
60Dies verliet Hij den tabernakel te Silo, de tent, die Hij tot een woning gesteld had onder de mensen.
61En Hij gaf Zijn sterkte in de gevangenis, en Zijn heerlijkheid in de hand des wederpartijders.
62En Hij leverde Zijn volk over ten zwaarde, en werd verbolgen tegen Zijn erfenis.
63Het vuur verteerde hun jongelingen, en hun jonge dochters werden niet geprezen.
64Hun priesters vielen door het zwaard, en hun weduwen weenden niet.
65Toen ontwaakte de Heere, als een slapende, als een held, die juicht van den wijn.
66En Hij sloeg Zijn wederpartijders aan het achterste; Hij deed hun eeuwige smaadheid aan.
67Doch Hij verwierp de tent van Jozef, en den stam van Efraim verkoos Hij niet.
68Maar Hij verkoos den stam van Juda, den berg Sion, dien Hij liefhad.
69En Hij bouwde Zijn heiligdom als hoogten, als de aarde, die Hij gegrond heeft in eeuwigheid.
70En Hij verkoos Zijn knecht David, en nam hem van de schaapskooien;
71Van achter de zogende schapen deed Hij hem komen, om te weiden Jakob, Zijn volk, en Israel, Zijn erfenis.
72Ook heeft hij hen geweid naar de oprechtheid zijns harten, en heeft hen geleid met een zeer verstandig beleid zijner handen.
Deze bijbeltekst is ontleend aan aan de Staten Vertaling van 1637