SV
1Een onderwijzing van David, voor den opperzangmeester, op Machalath.
2De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God; zij verderven het, en zij bedrijven gruwelijk onrecht; er is niemand, die goed doet.
3God heeft van den hemel nedergezien op de mensenkinderen, om te zien, of iemand verstandig ware, die God zocht.
4Een ieder van hen is teruggekeerd, te zamen zijn zij stinkende geworden, er is niemand, die goed doet, ook niet een.
Deze bijbeltekst is ontleend aan aan de Staten Vertaling van 1637
KJV
1The fool hath said in his heart, There is no God. Corrupt are they, and have done abominable iniquity: there is none that doeth good.
2God looked down from heaven upon the children of men, to see if there were any that did understand, that did seek God.
3Every one of them is gone back: they are altogether become filthy; there is none that doeth good, no, not one.
4Have the workers of iniquity no knowledge? who eat up my people as they eat bread: they have not called upon God.
Deze bijbeltekst is ontleend aan aan de King James Version