Psalmen 14:1-3

SV

1Een psalm van David, voor den opperzangmeester. De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God. Zij verderven het, zij maken het gruwelijk met hun werk; er is niemand, die goed doet.
2De HEERE heeft uit den hemel nedergezien op de mensenkinderen, om te zien, of iemand verstandig ware, die God zocht.
3Zij zijn allen afgeweken, te zamen zijn zij stinkende geworden; er is niemand, die goed doet, ook niet een.

KJV

1The fool hath said in his heart, There is no God. They are corrupt, they have done abominable works, there is none that doeth good.
2The LORD looked down from heaven upon the children of men, to see if there were any that did understand, and seek God.
3They are all gone aside, they are all together become filthy: there is none that doeth good, no, not one.
Helaas geen NBV vertaling meer. Binnen de huidige voorwaarden van het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap is dit momenteel niet toegestaan.

Suggesties voor alternatieven zijn welkom via het feedback formulier.