SV
3En ik zeide tot de koning: De koning leve in eeuwigheid! Hoe zou mijn aangezicht niet treurig zijn, daar de stad, de plaats der begravenissen mijner vaderen, woest is, en haar poorten met vuur verteerd zijn?
4En de koning zeide tot mij: Wat verzoekt gij nu? Toen bad ik tot God van den hemel.
Deze bijbeltekst is ontleend aan aan de Staten Vertaling van 1637