Gerelateerd aan Mattheüs 27:39

Gerelateerd aan Mattheüs 27:39

Psalmen 109:25

Ik wek de lachlust op, wie mij ziet schudt meewarig het hoofd.
Gerelateerd aan Mattheüs 27:39

Klaagliederen 1:12

Jullie die hier voorbijgaan, raakt het jullie niet? Merk toch op en zie: is er leed als het leed dat mij wordt aangedaan, dat de HEER op de dag van zijn toorn over mij heeft uitgestort?
Gerelateerd aan Mattheüs 27:39

Klaagliederen 2:15

Allen die voorbijgaan wringen de handen als ze jou zien; ze sissen van afschuw, schudden meewarig het hoofd over Jeruzalem: ‘Is dit nu die stad, volmaakt van schoonheid, vreugde voor de wereld?’
Gerelateerd aan Mattheüs 27:39

Psalmen 69:7

(69:8) Om u moet ik smaad verduren en bedekt het schaamrood mijn gezicht.
Gerelateerd aan Mattheüs 27:39

Psalmen 109:2

want vijandig en bedrieglijk is de mond van hen die mij beschuldigen, hun tong spreekt niets dan leugens,
Gerelateerd aan Mattheüs 27:39

Psalmen 22:17

(22:18) Ik kan al mijn beenderen tellen. Zij kijken vol leedvermaak toe,
Gerelateerd aan Mattheüs 27:39

Psalmen 22:6

(22:7) Maar ik ben een worm en geen mens, door iedereen versmaad, bij het volk veracht.
Gerelateerd aan Mattheüs 27:39

1 Petrus 2:22

die geen enkele zonde beging en over wiens lippen geen leugen kwam.
Gerelateerd aan Mattheüs 27:39

Lukas 23:35

Het volk stond toe te kijken. De leiders hoonden hem en zeiden: ‘Anderen heeft hij gered; laat hij nu zichzelf redden als hij de messias van God is, zijn uitverkorene!’
Gerelateerd aan Mattheüs 27:39

Psalmen 69:20

(69:21) Smaad heeft mijn hart gebroken, ik ben radeloos, ik hoopte op mededogen-vergeefs; op troost-die ik niet vond.
Gerelateerd aan Mattheüs 27:39

Job 16:4

Zaten jullie op mijn plaats, ik zou hetzelfde tegen jullie inbrengen; ik zou een lange redevoering houden, meewarig schuddend met mijn hoofd.
Gerelateerd aan Mattheüs 27:39

Psalmen 31:11

(31:12) Bij allen die mij belagen wek ik de lachlust, bij mijn buren nog het meest. Wie mij kennen zijn verbijsterd, wie mij zien aankomen op straat wenden zich af en ontvluchten mij.
Gerelateerd aan Mattheüs 27:39

Psalmen 35:15

Maar toen ik dreigde te vallen, verheugden zij zich, ze liepen te hoop en sloegen me onverwachts neer, ze hadden me willen verscheuren,
Gerelateerd aan Mattheüs 27:39

Markus 15:29

De voorbijgangers keken hoofdschuddend toe en dreven de spot met hem: ‘Ach, kijk nu toch eens! Jij die de tempel afbreekt en in drie dagen weer opbouwt,