Gerelateerd aan Maleachi 1:7

Gerelateerd aan Maleachi 1:7

Maleachi 1:12

maar jullie ontwijden hem door te beweren dat mijn altaar verontreinigd mag worden, door te denken dat je er minderwaardig voedsel heen kunt brengen.
Gerelateerd aan Maleachi 1:7

1 Korinthe 11:27

Daarom maakt iemand die op onwaardige wijze van het brood eet en uit de beker van de Heer drinkt, zich schuldig tegenover het lichaam en het bloed van de Heer.
Gerelateerd aan Maleachi 1:7

1 Korinthe 10:21

U kunt niet drinken uit de beker van de Heer en ook uit die van demonen, u kunt niet deelnemen aan de maaltijd van de Heer en ook aan die van demonen.
Gerelateerd aan Maleachi 1:7

Maleachi 1:8

Als jullie met een blind offerdier aankomen, zeggen jullie: 'Wat geeft dat nu?' En ook als jullie met een kreupel of ziek dier aankomen, zeggen jullie: 'Dat geeft toch niets?' Bied de gouverneur zo'n dier maar eens aan en zie of hij er tevreden mee is en jullie goedgezind zal blijven-zegt de HEER van de hemelse machten.
Gerelateerd aan Maleachi 1:7

1 Samuel 2:15

Sterker nog, soms kwam de priesterknecht al voor er rook van het vet opsteeg eisen: 'Geef het vlees aan de priester om het te roosteren. Maar wel rauw; gestoofd vlees wil hij niet!'
Gerelateerd aan Maleachi 1:7

Ezechiel 41:22

Het altaar was van hout, 3 el hoog en 2 el lang, met hoekpunten, en ook de zijkanten waren over de hele lengte van hout. De man zei tegen mij: 'Dit is de tafel die gereedstaat voor de HEER.'
Gerelateerd aan Maleachi 1:7

Deuteronomium 15:21

Maar als zo’n dier een gebrek heeft, als het kreupel of blind is of wat dan ook, dan mag u het niet ter ere van de HEER, uw God, slachten.
Gerelateerd aan Maleachi 1:7

Leviticus 21:6

Ze zijn voor hun God geheiligd en mogen de naam van hun God niet ontwijden. Zij bieden de HEER de offergaven aan, het voedsel van hun God, en daarom mogen ze zich niet ontwijden.
Gerelateerd aan Maleachi 1:7

1 Korinthe 11:21

Van wat u hebt meegebracht eet u alleen zelf, zodat de een honger heeft en de ander dronken is.
Gerelateerd aan Maleachi 1:7

Leviticus 2:11

Geen enkel graanoffer dat de HEER wordt aangeboden, mag gedesemd zijn. Gedesemd brood en vruchtenstroop mogen niet als offergave voor de HEER verbrand worden.