Gerelateerd aan Leviticus 26:31

Gerelateerd aan Leviticus 26:31

Nehemia 2:3

en zei: 'Majesteit, leef in eeuwigheid! Hoe zou ik niet somber zijn als de stad waar mijn voorouders begraven zijn, is verwoest en haar poorten in vlammen zijn opgegaan?'
Gerelateerd aan Leviticus 26:31

2 Koningen 25:4

werd er een bres in de stadsmuur geslagen. Hoewel de Chaldeeën rondom de stad lagen, wisten alle soldaten 's nachts te ontkomen via de poort tussen de beide stadsmuren die uitkwam op de tuin van de koning. De koning vluchtte in de richting van de Jordaanvallei,
Gerelateerd aan Leviticus 26:31

Hebreeën 10:26

Wanneer we willens en wetens blijven zondigen nadat we de waarheid hebben leren kennen, is er geen enkel offer voor de zonden meer mogelijk,
Gerelateerd aan Leviticus 26:31

Amos 5:21

Ik heb een afkeer van jullie feesten, ik wijs ze af, jullie samenkomsten verdraag ik niet.
Gerelateerd aan Leviticus 26:31

Klaagliederen 2:7

De Heer heeft zijn altaar versmaad, zijn heiligdom verworpen, de muren van Sions paleizen prijsgegeven aan haar vijanden; hun stemmen galmen door het huis van de HEER, als op een feestdag.
Gerelateerd aan Leviticus 26:31

Jesaja 1:11

Wat moet ik met al jullie offers? zegt de HEER. Ik heb genoeg van die schapen, die vetgemeste kalveren; het bloed van stieren, rammen en bokken wil ik niet meer.
Gerelateerd aan Leviticus 26:31

Ezechiel 9:6

Oude mensen, jonge mannen en vrouwen, moeders en kinderen-jullie moeten ze allemaal ombrengen, behalve de mensen die het merkteken dragen. Begin bij mijn heiligdom.' En ze begonnen bij de zeventig oudsten, die voor de tempel stonden.
Gerelateerd aan Leviticus 26:31

Klaagliederen 1:10

De vijand heeft zijn hand naar haar kostbaarheden uitgestrekt. Zij moet aanzien hoe het heiligdom betreden wordt door vreemde volken, aan wie u de toegang tot de gemeenschap had ontzegd.
Gerelateerd aan Leviticus 26:31

Jeremia 4:7

Zoals een leeuw uit het struikgewas springt, zo doemt een vernietiger van volken op, rukt de vijand op uit zijn gebied. Hij maakt je land tot een woestenij. Je steden vallen in puin, worden ontvolkt.
Gerelateerd aan Leviticus 26:31

Mattheüs 24:1

Nadat Jezus de tempel had verlaten, wendden zijn leerlingen zich onderweg tot hem en vestigden zijn aandacht op de tempelgebouwen.
Gerelateerd aan Leviticus 26:31

Jeremia 22:5

Maar als jullie niet naar deze woorden luisteren, dan zweer ik bij mijn eigen naam dat dit paleis in puin zal vallen-spreekt de HEER.
Gerelateerd aan Leviticus 26:31

Jesaja 1:7

Je land is verwoest, je steden zijn verbrand. Vreemden stropen onder je ogen de akkers af, vreemdelingen maken alles tot een woestenij.
Gerelateerd aan Leviticus 26:31

Jesaja 24:10

De stad is één grote woestenij, de toegang tot ieder huis is versperd.
Gerelateerd aan Leviticus 26:31

Ezechiel 21:15

(21:20) De schrik slaat hun om het hart, velen struikelen en vallen! Het zwaard stuur ik af op hun steden, verwoestend doet het zijn werk. Ja, het is gemaakt om te bliksemen het is gewet om te slachten.
Gerelateerd aan Leviticus 26:31

Lukas 21:24

De inwoners zullen omkomen door het zwaard of in gevangenschap worden weggevoerd en onder alle volken worden verstrooid, terwijl Jeruzalem vertrapt zal worden door heidenen, tot de tijd van de heidenen voorbij is.
Gerelateerd aan Leviticus 26:31

Jeremia 9:11

Wie inzicht heeft, moet dit doorgronden, wie naar de HEER geluisterd heeft, moet het verkondigen.’ ‘Waarom wordt dit land te gronde gericht, verschroeit het als een woestijn, waar niemand nog doorheen trekt?’
Gerelateerd aan Leviticus 26:31

Jeremia 26:9

‘Hoe durf je in de naam van de HEER te profeteren dat het deze tempel zal vergaan als Silo en dat deze stad een ruïne wordt waar niemand nog zal wonen?’ Al het volk in de tempel liep tegen Jeremia te hoop.
Gerelateerd aan Leviticus 26:31

Jeremia 26:6

dan zal ik met deze tempel hetzelfde doen als met Silo, zodat alle volken op aarde de naam van deze stad als een vloek zullen gebruiken.’
Gerelateerd aan Leviticus 26:31

2 Kronieken 36:19

Ze staken de tempel van God in brand en haalden de stadsmuur van Jeruzalem neer. Ook alle paleizen werden in brand gestoken en gingen met kostbaarheden en al in vlammen op.
Gerelateerd aan Leviticus 26:31

Ezechiel 6:6

Volk van Israël, overal waar jullie wonen zullen de steden tot ruïnes vervallen en de offerhoogten verlaten worden, zodat je altaren in puin komen te liggen en niet meer worden bezocht. Je afgodsbeelden zullen worden verbrijzeld en vernietigd, je wierookaltaren in stukken geslagen, alles wat je ooit maakte zal worden weggevaagd.
1
2
Volgende