Gerelateerd aan Jozua 18:28
Gerelateerd aan Jozua 18:28
Jozua 15:8
Vervolgens liep de grens via het Ben-Hinnomdal om het zuiden van de heuvelrug waarop Jebus lag (het huidige Jeruzalem). Daarna ging hij omhoog naar de top van de berg die westelijk van het Hinnomdal en noordelijk van de vallei van Refaïm ligt.
Gerelateerd aan Jozua 18:28
Jozua 18:16
Hij daalde naar de voet van de berg die westelijk van het Ben-Hinnomdal en noordelijk van de vallei van Refaïm ligt, en daalde vervolgens verder naar het Hinnomdal. Via dat dal liep hij om het zuiden van de heuvelrug waarop Jebus lag. Hij daalde naar de Rogelbron
Gerelateerd aan Jozua 18:28
Richteren 20:4
De Leviet, de man van de vermoorde vrouw, nam het woord en zei: 'Toen ik met mijn bijvrouw op doorreis was in Gibea in Benjamin,
Gerelateerd aan Jozua 18:28
Numeri 33:54
Jullie moeten het land door middel van loting onder de verschillende geslachten verdelen. Geef een groot geslacht een groot stuk grond in bezit, een klein geslacht een klein stuk. Het lot bepaalt wat elk geslacht krijgt. Zo moeten jullie het land onder de verschillende stammen verdelen.
Gerelateerd aan Jozua 18:28
1 Samuel 10:26
Ook Saul ging weer naar zijn woonplaats Gibea. Een leger van dappere krijgslieden ging met hem mee, door God daartoe bewogen.
Gerelateerd aan Jozua 18:28
Hosea 10:9
Al in Gibea gaf jij je over aan zonden, Israël, en sindsdien heb je daarin volhard. Zou je dan nu in Gibea worden ontzien, gespaard waar misdadigers worden gestraft?
Gerelateerd aan Jozua 18:28
Richteren 19:12
'Nee, 'antwoordde zijn meester. 'We gaan geen stad vol vreemden binnen die niet tot het volk van Israël behoren. We kunnen beter doorgaan naar Gibea
Gerelateerd aan Jozua 18:28
Jesaja 10:29
Ze steken het ravijn over. ‘In Geba zullen we overnachten!’ Rama siddert, Gibea van Saul vlucht weg.
Gerelateerd aan Jozua 18:28
1 Samuel 13:15
Daarop verliet Samuël Gilgal en ging naar Gibea in Benjamin. Saul monsterde de mannen die bij hem waren gebleven. Het waren er zeshonderd.
Gerelateerd aan Jozua 18:28
Jozua 15:63
Maar de inwoners van Jeruzalem, de Jebusieten, konden door de stam Juda niet worden verdreven; ze wonen tot op de dag van vandaag te midden van de nakomelingen van Juda in Jeruzalem.
Gerelateerd aan Jozua 18:28
2 Samuel 5:8
en hij verklaarde: 'Wie de Jebusiet wil verslaan, hoeft slechts de watertoevoer af te snijden. En wat de lammen en de blinden betreft, die veracht ik uit de grond van mijn hart.' Daarom zegt men: Lammen en blinden, die komen het huis niet in.