SV
4Weet gij den tijd van het baren der steengeiten? Hebt gij waargenomen den arbeid der hinden?
5Zult gij de maanden tellen, die zij vervullen, en weet gij den tijd van haar baren?
6Als zij zich krommen, haar jongen met versplijting voortbrengen, haar smarten uitwerpen?
7Haar jongen worden kloek, worden groot door het koren; zij gaan uit, en keren niet weder tot dezelve.
Deze bijbeltekst is ontleend aan aan de Staten Vertaling van 1637