Gerelateerd aan Jesaja 26:13

Gerelateerd aan Jesaja 26:13

Jesaja 2:8

Ze vulden hun huizen met afgoden, vereerden wat zij zelf hadden gemaakt, goden die ze vormden met hun eigen handen.
Gerelateerd aan Jesaja 26:13

Hebreeën 13:15

Laten we met Jezus’ tussenkomst een dankoffer brengen aan God: het huldebetoon van lippen die zijn naam prijzen, ononderbroken.
Gerelateerd aan Jesaja 26:13

Amos 6:10

Als iemand dan het lichaam van zijn verwant uit dat huis wegdraagt om het te verbranden, zal hij vragen aan degene die nog binnen is: 'Is daar bij jou nog iemand over?' 'Nee, 'zal deze dan zeggen, 'maar wees toch stil, en noem de naam van de HEER niet!'
Gerelateerd aan Jesaja 26:13

Jesaja 51:22

Dit zegt je God, de HEER, de God die het opneemt voor zijn volk: Ik neem de bedwelmende beker uit je hand, de kelk, de beker van mijn toorn, je hoeft er niet meer uit te drinken.
Gerelateerd aan Jesaja 26:13

Jesaja 12:4

Op die dag zullen jullie zeggen: ‘Loof de HEER, roep zijn naam uit. Maak alle volken zijn daden bekend, verkondig zijn verheven naam.
Gerelateerd aan Jesaja 26:13

2 Kronieken 12:8

Maar ze zullen zich wel aan hem moeten onderwerpen en ervaren dat het een groot verschil is of ze mij dienen of een aardse koning.'
Gerelateerd aan Jesaja 26:13

Jesaja 10:11

Samaria met zijn afgoden heb ik vernietigd, zou ik niet hetzelfde kunnen doen met Jeruzalem en zijn gruwelijke beelden?’
Gerelateerd aan Jesaja 26:13

Jozua 23:7

Vermeng u niet met die vreemde volken die nog bij u overgebleven zijn. Neem de naam van hun goden niet in de mond en zweer er nooit bij, dien die niet en buig u nooit voor ze neer.
Gerelateerd aan Jesaja 26:13

Jesaja 63:7

Ik zal de liefde van de HEER gedenken en zijn roemrijke daden bezingen: alles wat de HEER voor ons heeft gedaan, de goedheid die hij het volk van Israël bewees in zijn ontferming en onbegrensde liefde.
Gerelateerd aan Jesaja 26:13

Romeinen 6:22

Maar nu, bevrijd van de zonde en in dienst van God, oogst u toewijding aan hem en zelfs het eeuwige leven.
Gerelateerd aan Jesaja 26:13

1 Korinthe 4:7

Wie denkt u dat u bent? Bezit u ook maar iets dat u niet geschonken is? Alles is u geschonken, dus waarom schept u dan op alsof u het zelf verworven hebt?
Gerelateerd aan Jesaja 26:13

Johannes 8:32

U zult de waarheid kennen, en de waarheid zal u bevrijden.’