Gerelateerd aan Jeremia 41:18
Gerelateerd aan Jeremia 41:18
Jeremia 40:5
Toen Jeremia nog steeds niet wegging, zei Nebuzaradan: ‘Ga terug naar Gedalja, de zoon van Achikam, de zoon van Safan, die door onze koning als gouverneur over de steden van Juda is aangesteld. Ga bij hem te midden van uw volksgenoten wonen, of waar u maar wilt.’ De commandant van de lijfwacht gaf Jeremia voedsel voor onderweg en liet hem vrij.
Gerelateerd aan Jeremia 41:18
Jeremia 42:16
dan zal het zwaard dat jullie vrezen je in Egypte achterhalen, zal de honger waar jullie zo bang voor zijn je tot in Egypte volgen en zullen jullie daar sterven.
Gerelateerd aan Jeremia 41:18
Lukas 12:4
Tegen jullie, mijn vrienden, zeg ik: wees niet bang voor degenen die het lichaam kunnen doden, maar niet tot iets ergers in staat zijn.
Gerelateerd aan Jeremia 41:18
Jeremia 42:11
Wees niet bang voor de door jullie zo gevreesde koning van Babylonië, wees niet bang-spreekt de HEER -,want ik zal jullie ter zijde staan en je uit zijn greep bevrijden.
Gerelateerd aan Jeremia 41:18
Jesaja 51:12
Ik, ik ben het die jullie troost. Hoe kun je dan bang zijn voor een sterveling, voor een mensenkind dat vergaat als gras?
Gerelateerd aan Jeremia 41:18
Jeremia 43:2
of Azarja, de zoon van Hosaäja, Jochanan, de zoon van Kareach, en de andere eigengereide Judeeërs zeiden tegen hem: ‘U liegt. De HEER, onze God, heeft u niet gezonden met de boodschap niet naar Egypte uit te wijken.
Gerelateerd aan Jeremia 41:18
Jesaja 57:11
Voor wie ben je zo bang en beducht dat je leugens blijft verspreiden? Aan mij heb je niet gedacht, om mij je niet bekommerd. Ik heb al te lang gezwegen, je hebt geen ontzag meer voor mij.
Gerelateerd aan Jeremia 41:18
Jesaja 30:16
Jullie zeiden: ‘Nee! Te paard vluchten we weg!’ -Vluchten zúl je! ‘Wij gaan er razendsnel vandoor!’ -Razendsnel word je ingehaald.
Gerelateerd aan Jeremia 41:18
2 Koningen 25:25
Maar in de zevende maand van dat jaar kwam Jismaël, de zoon van Netanja, de zoon van Elisama, die tot de koninklijke familie behoorde, met tien mannen naar Mispa. Ze doodden Gedalja en de Judeeërs en Chaldeeën die bij hem waren.