Handelingen 26:6-8

SV

6En nu sta ik, en word geoordeeld over de hoop der belofte, die van God tot de vaderen geschied is;
7Tot dewelke onze twaalf geslachten, geduriglijk nacht en dag God dienende, verhopen te komen; over welke hoop ik, o koning Agrippa, van de Joden word beschuldigd.
8Wat? wordt het bij ulieden ongelofelijk geoordeeld, dat God de doden opwekt?

KJV

6And now I stand and am judged for the hope of the promise made of God unto our fathers:
7Unto which promise our twelve tribes, instantly serving God day and night, hope to come. For which hope's sake, king Agrippa, I am accused of the Jews.
8Why should it be thought a thing incredible with you, that God should raise the dead?
Helaas geen NBV vertaling meer. Binnen de huidige voorwaarden van het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap is dit momenteel niet toegestaan.

Suggesties voor alternatieven zijn welkom via het feedback formulier.