Gerelateerd aan Genesis 34:5

Gerelateerd aan Genesis 34:5

2 Samuel 13:22

Absalom sprak er niet met Amnon over, er viel tussen hen geen onvertogen woord, maar hij haatte hem omdat hij zijn zuster Tamar had onteerd.
Gerelateerd aan Genesis 34:5

Genesis 30:35

Maar nog diezelfde dag zette hij de gestreepte en gevlekte bokken apart en de gespikkelde en gevlekte geiten, alles waaraan maar iets wits te zien was, en alle zwarte schapen, en hij stelde die dieren onder de hoede van zijn zonen.
Gerelateerd aan Genesis 34:5

1 Samuel 10:27

Sommigen waren minder overtuigd en zeiden smalend: 'Moet die ons uit de nood redden?' Ze keken minachtend op hem neer en boden hem geen geschenken aan. Maar Saul deed alsof hij er niets van merkte.
Gerelateerd aan Genesis 34:5

Psalmen 39:9

(39:10) Ik zei niets, opende mijn mond niet, want u was het die mij dit alles aandeed.
Gerelateerd aan Genesis 34:5

Leviticus 10:3

Mozes zei tegen Aäron: 'Dit bedoelde de HEER toen hij zei: "Door degenen die in mijn nabijheid verkeren, toon ik mijn heiligheid. Het hele volk maak ik getuige van mijn majesteit."' Aäron zweeg.
Gerelateerd aan Genesis 34:5

1 Samuel 16:11

'Zijn dit alle zonen die u heeft?' vroeg hij. 'Nee, 'antwoordde Isaï, 'de jongste is er niet bij, die hoedt de schapen en de geiten.' Toen zei Samuël tegen Isaï: 'Laat hem hier komen. We beginnen niet aan de maaltijd voordat hij er is.'
Gerelateerd aan Genesis 34:5

Lukas 15:25

De oudste zoon was op het veld. Toen hij naar huis ging en al dichtbij was, hoorde hij muziek en gedans.
Gerelateerd aan Genesis 34:5

1 Samuel 17:15

en hij ging heen en weer tussen het kamp van Saul en Betlehem, waar hij de kudde van zijn vader hoedde.
Gerelateerd aan Genesis 34:5

Lukas 15:29

Hij zei tegen zijn vader: “Al jarenlang werk ik voor u en nooit ben ik u ongehoorzaam geweest als u mij iets opdroeg, en u hebt mij zelfs nooit een geitenbokje gegeven om met mijn vrienden feest te vieren.
Gerelateerd aan Genesis 34:5

Genesis 37:13

zei Israël tegen Jozef: ‘Zoals je weet zijn je broers het vee aan het weiden bij Sichem. Ga jij eens naar hen toe.’ ‘Goed, ‘zei Jozef,