Gerelateerd aan Genesis 32:25

Gerelateerd aan Genesis 32:25

2 Korinthe 12:7

niet op grond van de uitzonderlijke openbaringen die ik heb gekregen. Om te verhinderen dat ik mezelf zou verheffen, werd mij een doorn in het vlees gestoken: ik word gekweld door een engel van Satan.
Gerelateerd aan Genesis 32:25

Hosea 12:3

(12:4) Al in de moederschoot heeft hij zijn broer beetgenomen, en in de kracht van zijn leven worstelde hij met God.
Gerelateerd aan Genesis 32:25

Genesis 32:32

(32:33) Omdat de ander hem had aangeraakt bij de spier die boven het heupgewricht ligt, eten de Israëlieten de heupspier niet, tot op de dag van vandaag.
Gerelateerd aan Genesis 32:25

Mattheüs 26:44

Hij liet hen achter, liep opnieuw wat verder en bad voor de derde maal, met dezelfde woorden als daarvoor.
Gerelateerd aan Genesis 32:25

Mattheüs 15:22

Plotseling klonk de roep van een Kanaänitische vrouw die uit die streek afkomstig was: ‘Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David! Mijn dochter wordt vreselijk gekweld door een demon.’
Gerelateerd aan Genesis 32:25

Jesaja 45:11

Dit zegt de HEER, de Heilige van Israël, die Israël gevormd heeft: Wilden jullie mij ondervragen over het lot van mijn kinderen, of mij iets voorschrijven omtrent het werk van mijn handen?
Gerelateerd aan Genesis 32:25

Genesis 19:22

Vlucht daarheen en haast u, want tot u daar aangekomen bent kan ik niets doen.’ Zo kreeg die stad de naam Soar.
Gerelateerd aan Genesis 32:25

Jesaja 41:14

Wees niet bang, kleine Jakob, arm volk van Israël, ik zal je helpen-spreekt de HEER -,de Heilige van Israël is je bevrijder.
Gerelateerd aan Genesis 32:25

Numeri 14:13

Maar Mozes zei tegen de HEER: 'Als de Egyptenaren, bij wie u dit volk met krachtige arm hebt weggeleid, dat te weten komen,
Gerelateerd aan Genesis 32:25

Mattheüs 26:41

Blijf wakker en bid dat jullie niet in beproeving komen; de geest is wel gewillig, maar het lichaam is zwak.’
Gerelateerd aan Genesis 32:25

Psalmen 30:6

(30:7) In mijn overmoed dacht ik: Nooit zal ik wankelen.
Gerelateerd aan Genesis 32:25

Lukas 11:5

Daarna zei hij tegen hen: ‘Stel dat iemand van jullie een vriend heeft en midden in de nacht naar hem toe gaat en tegen hem zegt: “Wil je mij drie broden lenen,