Gerelateerd aan Genesis 18:30

Gerelateerd aan Genesis 18:30

Psalmen 9:12

(9:13) Hij wreekt vergoten bloed, gedenkt de doden, de noodkreet van de nederigen vergeet hij niet.
Gerelateerd aan Genesis 18:30

Richteren 6:39

Toen zei Gideon tegen God: 'U moet niet kwaad op me worden als ik nog één keer aandring, maar ik wil nog een laatste proef nemen: nu moet de wol droog blijven en de grond eromheen nat zijn van dauw.'
Gerelateerd aan Genesis 18:30

Esther 4:11

'Alle dienaren van de koning en de inwoners van alle provincies van het koninkrijk weten dat er maar één wet geldt voor iedere man of vrouw die zonder ontboden te zijn naar de koning gaat en in de binnenhof komt: die persoon wordt ter dood gebracht. Alleen degene wie de koning zijn gouden scepter toesteekt, brengt het er levend af. Wat mijzelf betreft, ik ben nu al in geen dertig dagen bij de koning ontboden.'
Gerelateerd aan Genesis 18:30

Job 40:4

'Ik ben onaanzienlijk. Wat zal ik u antwoorden? Ik leg mijn hand op mijn mond.
Gerelateerd aan Genesis 18:30

Psalmen 10:17

U, HEER, verhoort de wens van de nederigen, u bemoedigt hen en luistert met aandacht,
Gerelateerd aan Genesis 18:30

Hebreeën 12:28

Laten we daarom het onwankelbare koninkrijk in dankbaarheid aanvaarden, om God zo te dienen dat hij er behagen in schept, met eerbied en ontzag.
Gerelateerd aan Genesis 18:30

Jesaja 55:8

Mijn plannen zijn niet jullie plannen, en jullie wegen zijn niet mijn wegen-spreekt de HEER.
Gerelateerd aan Genesis 18:30

Psalmen 89:7

(89:8) met God, zeer geducht in de raad van de hemelingen, gevreesd bij allen die hem omringen?
Gerelateerd aan Genesis 18:30

Genesis 44:18

Juda deed een stap naar voren en zei: ‘Neemt u mij niet kwalijk, heer. U bent als de farao, maar sta uw dienaar alstublieft toe iets tegen u te zeggen, zonder dat u in woede ontsteekt.
Gerelateerd aan Genesis 18:30

Jesaja 6:5

Ik schreeuwde het uit: ‘Wee mij! Ik moet zwijgen, want ik ben een mens met onreine lippen, en ik leef te midden van een volk dat onreine lippen heeft. En nu heb ik met eigen ogen de koning, de HEER van de hemelse machten, gezien.’