SV
1Toen sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
2Spreek tot de kinderen Israels, dat zij voor Mij een hefoffer nemen. Van alle man, wiens hart zich vrijwillig bewegen zal, zult gij Mijn hefoffer nemen.
3Dit nu is het hefoffer, hetwelk gij van hen nemen zult: goud, en zilver, en koper;
4Als ook hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn linnen, en geiten haar.
5En roodgeverfde ramsvellen, en dassenvellen, en sittimhout;
6Olie tot den luchter, specerijen ter zalfolie, en tot roking welriekende specerijen;
7Sardonixstenen, en vervullende stenen tot den efod, en tot den borstlap.
8En zij zullen Mij een heiligdom maken, dat Ik in het midden van hen wone.
9Naar al wat Ik u tot een voorbeeld dezes tabernakels, en een voorbeeld van al deszelfs gereedschap wijzen zal, even alzo zult gijlieden dat maken.
Deze bijbeltekst is ontleend aan aan de Staten Vertaling van 1637