Gerelateerd aan Deuteronomium 27:11-14
Gerelateerd aan Deuteronomium 27:12
Richteren 9:7
Toen Jotam dit vernam, ging hij de Gerizim op en riep met stemverheffing vanaf de top: 'Hoor mij aan, burgers van Sichem, en God zal u verhoren!
Gerelateerd aan Deuteronomium 27:12
Genesis 35:18
En terwijl het leven al van haar week-want ze stierf-gaf zij hem de naam Ben-Oni. Maar zijn vader noemde hem Benjamin.
Gerelateerd aan Deuteronomium 27:12
Deuteronomium 11:26
Besef goed, vandaag stel ik u voor de keuze tussen zegen en vloek.
Gerelateerd aan Deuteronomium 27:12
Jozua 8:33
Ondertussen stond Israël, met alle oudsten, griffiers en rechters ter weerszijden van de ark van het verbond met de HEER, tegenover de Levitische priesters die de ark droegen. Zowel de geboren Israëlieten als de vreemdelingen die bij hen woonden waren aanwezig. De ene helft van het volk keek uit op de Gerizim en de andere helft keek uit op de Ebal, zoals Mozes, de dienaar van de HEER, had opgedragen. Eerst zegende Jozua het volk van Israël, zoals Mozes had opgedragen,
Gerelateerd aan Deuteronomium 27:12
Genesis 30:24
Ze noemde het kind Jozef en zei: ‘Ik hoop dat de HEER mij er nog een zoon bij geeft.’
Gerelateerd aan Deuteronomium 27:12
Genesis 29:33
Ze werd opnieuw zwanger en bracht nog een zoon ter wereld. ‘De HEER heeft gehoord hoe weinig mijn man van me houdt; daarom heeft hij mij er nog een zoon bij gegeven, ‘zei ze, en ze noemde hem Simeon.
Gerelateerd aan Deuteronomium 27:12
Genesis 30:18
‘God heeft mij beloond omdat ik mijn slavin aan mijn man heb gegeven, ‘zei ze, en ze noemde het kind Issachar.
Gerelateerd aan Deuteronomium 27:13
Genesis 30:20
‘God heeft mij een mooi geschenk gegeven, ‘zei ze, ‘mijn man zal mij op handen dragen nu ik hem zes zonen heb gebaard.’ Ze noemde het kind Zebulon.
Gerelateerd aan Deuteronomium 27:13
Genesis 29:32
Lea werd zwanger en bracht een zoon ter wereld, die ze Ruben noemde, ‘want, ‘zei ze, ‘de HEER heeft gezien wat ik te verduren heb. Nu zal mijn man van mij houden.’
Gerelateerd aan Deuteronomium 27:13
Genesis 30:6
Toen zei Rachel: ‘God heeft mij recht gedaan: hij heeft mij verhoord en mij een zoon gegeven.’ Daarom noemde ze hem Dan.
Gerelateerd aan Deuteronomium 27:13
Deuteronomium 27:4
Plaats, zodra u de Jordaan bent overgestoken, de stenen op de Ebal, zoals ik u nu voorschrijf, en voorzie ze van een kalklaag.
Gerelateerd aan Deuteronomium 27:13
Jozua 8:33
Ondertussen stond Israël, met alle oudsten, griffiers en rechters ter weerszijden van de ark van het verbond met de HEER, tegenover de Levitische priesters die de ark droegen. Zowel de geboren Israëlieten als de vreemdelingen die bij hen woonden waren aanwezig. De ene helft van het volk keek uit op de Gerizim en de andere helft keek uit op de Ebal, zoals Mozes, de dienaar van de HEER, had opgedragen. Eerst zegende Jozua het volk van Israël, zoals Mozes had opgedragen,
Gerelateerd aan Deuteronomium 27:13
Genesis 49:3
Ruben, mijn oudste zoon ben jij, de eerste vrucht van mijn manlijke kracht, in fierheid en macht de voornaamste.
Gerelateerd aan Deuteronomium 27:13
Deuteronomium 11:29
Wanneer u straks door zijn toedoen in het land aankomt dat u in bezit zult nemen, moet u op de Gerizim de zegen uitspreken, en op de Ebal de vloek.
Gerelateerd aan Deuteronomium 27:14
Daniel 9:11
Alle Israëlieten hebben uw wet overtreden, zijn daarvan afgeweken en hebben niet naar u geluisterd. De met een eed bekrachtigde vervloekingen die opgetekend staan in de wet van Mozes, de dienaar van God, zijn over ons uitgestort, want wij hebben tegen u gezondigd.
Gerelateerd aan Deuteronomium 27:14
Deuteronomium 33:9
Hij had geen mededogen met zijn vader en moeder, zijn eigen broers ontzag hij niet, zijn kinderen waren als vreemden voor hem. Want de Levieten hielden zich aan wat u gebood, het verbond dat u sloot bleven ze trouw.
Gerelateerd aan Deuteronomium 27:14
Maleachi 2:7
Kennis ligt op de lippen van de priester en waarheid zoekt men in wat hij zegt, want hij is een bode van de HEER van de hemelse machten.
Gerelateerd aan Deuteronomium 27:14
Jozua 8:33
Ondertussen stond Israël, met alle oudsten, griffiers en rechters ter weerszijden van de ark van het verbond met de HEER, tegenover de Levitische priesters die de ark droegen. Zowel de geboren Israëlieten als de vreemdelingen die bij hen woonden waren aanwezig. De ene helft van het volk keek uit op de Gerizim en de andere helft keek uit op de Ebal, zoals Mozes, de dienaar van de HEER, had opgedragen. Eerst zegende Jozua het volk van Israël, zoals Mozes had opgedragen,
Gerelateerd aan Deuteronomium 27:14
Nehemia 8:7
Vervolgens legden de Levieten Jesua, Bani, Serebja, Jamin, Akkub, Sabbetai, Hodia, Maäseja, Kelita, Azarja, Jozabad, Chanan en Pelaja de wet uit aan het volk, dat weer was gaan staan.