Gerelateerd aan Zacharia 3:1-10
Gerelateerd aan Zacharia 3:1
Zacharia 6:11
Laat van het goud en zilver een kroon maken en zet die op het hoofd van de hogepriester Jozua, de zoon van Josadak.
Gerelateerd aan Zacharia 3:1
Psalmen 109:6
'Wijs een gewetenloos man aan die hem aanklaagt bij de rechter.
Gerelateerd aan Zacharia 3:1
Haggaï 1:1
In het tweede regeringsjaar van koning Darius, op de eerste dag van de zesde maand, richtte de HEER zich bij monde van de profeet Haggai tot Zerubbabel, zoon van Sealtiël en gouverneur van Juda, en tot Jozua, zoon van Josadak en hogepriester:
Gerelateerd aan Zacharia 3:1
Openbaring 12:9
De grote draak werd op de aarde gegooid. Hij is de slang van weleer, die duivel of Satan wordt genoemd en die de hele wereld misleidt. Samen met zijn engelen werd hij op de aarde gegooid.
Gerelateerd aan Zacharia 3:1
1 Petrus 5:8
Wees waakzaam, wees op uw hoede, want uw vijand, de duivel, zwerft rond als een brullende leeuw, op zoek naar een prooi.
Gerelateerd aan Zacharia 3:1
Ezra 5:2
Daarop hervatten Zerubbabel, de zoon van Sealtiël, en Jesua, de zoon van Josadak, de bouw van de tempel van God in Jeruzalem. Ze kregen daarbij de steun van Gods profeten.
Gerelateerd aan Zacharia 3:1
Jeremia 15:19
‘Dit zegt de HEER: Als je bij mij terugkeert en ik je aanneem, zul je mij weer dienen. Als je waardige woorden spreekt, niets onwaardigs, zul je weer mijn zegsman zijn. Laat dit volk zich naar jou richten, jij mag je niet richten naar hen.
Gerelateerd aan Zacharia 3:1
Job 1:6
Op een dag kwamen de hemelbewoners hun opwachting maken bij de HEER, en ook Satan bevond zich onder hen.
Gerelateerd aan Zacharia 3:1
Haggaï 2:4
Maar houd vol, Zerubbabel-spreekt de HEER -,houd vol, Jozua, zoon van Josadak en hogepriester; jullie allen, bewoners van dit land, houd vol! -spreekt de HEER. Werk door, ik ben bij jullie-spreekt de HEER van de hemelse machten.
Gerelateerd aan Zacharia 3:1
Deuteronomium 18:15
Hij zal in uw midden profeten laten opstaan, profeten zoals ik. Naar hen moet u luisteren.
Gerelateerd aan Zacharia 3:1
Zacharia 3:8
Luister, hogepriester Jozua, jij en je priesters die voor je zitten en die in staat zijn om tekens uit te leggen. Ik zal mijn dienaar sturen, de telg aan de stam van David.
Gerelateerd aan Zacharia 3:1
Maleachi 3:1
Let op, ik zal mijn bode zenden; hij zal de weg voor mij effenen. Opeens zal hij naar zijn tempel komen, de Heer naar wie jullie uitzien, de engel van het verbond naar wie jullie verlangen. Komen zal hij-zegt de HEER van de hemelse machten.
Gerelateerd aan Zacharia 3:1
Job 2:1
Op een dag kwamen de hemelbewoners hun opwachting maken bij de HEER, en ook Satan maakte bij hem zijn opwachting.
Gerelateerd aan Zacharia 3:1
Hosea 12:4
(12:5) Hij worstelde met een engel en overwon; onder tranen smeekte hij hem om een gunst. In Betel vond God hem, daar sprak hij al tot ons.
Gerelateerd aan Zacharia 3:1
Handelingen 7:30
Nadat er veertig jaren waren verstreken, verscheen er in de woestijn bij de berg Sinai een engel aan hem in de vlammen van een brandende doornstruik.
Gerelateerd aan Zacharia 3:1
Lukas 21:36
Wees waakzaam en bid onophoudelijk om te ontkomen aan de dingen die gebeuren gaan en om voor de Mensenzoon te kunnen verschijnen.’
Gerelateerd aan Zacharia 3:1
Exodus 3:2
Daar verscheen de engel van de HEER aan hem in een vuur dat uit een doornstruik opvlamde. Mozes zag dat de struik in brand stond en toch niet door het vuur werd verteerd.
Gerelateerd aan Zacharia 3:1
Ezechiel 44:15
Maar de Levitische priesters, de nakomelingen van Sadok, die zorg droegen voor mijn heiligdom toen de Israëlieten zich van mij afkeerden, mogen in mijn nabijheid komen om mij te dienen; zij mogen voor mij klaarstaan om mij vet en bloed aan te bieden-spreekt God, de HEER.
Gerelateerd aan Zacharia 3:1
Genesis 3:15
Vijandschap sticht ik tussen jou en de vrouw, tussen jouw nageslacht en het hare, zij verbrijzelen je kop, jij bijt hen in de hiel.’
Gerelateerd aan Zacharia 3:1
Genesis 48:16
de engel die mij heeft bevrijd van alle onheil, hij geve deze jongens zijn zegen. Moge mijn naam door hen voortleven, en ook die van mijn voorouders Abraham en Isaak, en mogen zij zich over de hele aarde uitbreiden.’
1
2
3
4
5
6
7