Gerelateerd aan Spreuken 9:7

Gerelateerd aan Spreuken 9:7

Spreuken 15:12

Een spotter wordt niet graag terechtgewezen, nooit wendt hij zich tot de wijzen.
Gerelateerd aan Spreuken 9:7

2 Kronieken 36:16

Maar zij lachten Gods boden uit, minachtten zijn woorden en dreven de spot met zijn profeten, totdat de toorn van de HEER tegen zijn volk zo hoog oplaaide dat niets hen meer kon helpen.
Gerelateerd aan Spreuken 9:7

2 Kronieken 25:15

De HEER ontstak in woede tegen Amasja en stuurde een profeet naar hem toe, die hem zei: 'Waarom zoekt u uw heil bij de goden van dit volk, die niet eens hun eigen volk uit uw handen hebben kunnen redden?'
Gerelateerd aan Spreuken 9:7

1 Koningen 18:17

en zodra hij hem in het oog kreeg riep hij uit: 'Bent u het, Elia? U, die Israël in het ongeluk hebt gestort?'
Gerelateerd aan Spreuken 9:7

1 Koningen 21:20

Toen Achab Elia zag, zei hij: 'Mijn vijand heeft me dus weer weten te vinden.' 'Ik heb u gevonden, 'antwoordde Elia. 'U hebt u ertoe geleend iets te doen dat slecht is in de ogen van de HEER.
Gerelateerd aan Spreuken 9:7

Spreuken 23:9

Spreek niet tegen een dwaas, hij veracht je verstandige woorden.
Gerelateerd aan Spreuken 9:7

Genesis 19:8

‘Luister, ik heb twee dochters die nog nooit met een man geslapen hebben. Die zal ik bij jullie brengen, doe met hen wat jullie willen. Maar laat die mannen met rust, ik heb hun niet voor niets een veilig onderkomen geboden.’
Gerelateerd aan Spreuken 9:7

2 Kronieken 24:20

Toen kwam de geest van God over Zecharja, de zoon van de hogepriester Jojada. Hij ging voor het volk staan en zei: 'Dit zegt God: Waarom verzaken jullie je plicht tegenover de HEER? Jullie zullen niets meer tot een goed einde brengen, want jullie hebben je van de HEER afgewend en daarom wendt hij zich nu van jullie af.'
Gerelateerd aan Spreuken 9:7

1 Koningen 22:27

Zeg tegen hen dat ze hem in de gevangenis moeten opsluiten en op water en brood moeten zetten totdat ik behouden ben teruggekeerd.'
Gerelateerd aan Spreuken 9:7

1 Koningen 22:24

Sidkia, de zoon van Kenaäna, kwam op Micha af en sloeg hem in zijn gezicht. 'Wilt u soms beweren dat de geest van de HEER van mij naar u is overgestoken om tegen u te spreken?' vroeg hij.