SV
30Ik ging voorbij den akker eens luiaards, en voorbij den wijngaard van een verstandeloos mens;
31En ziet, hij was gans opgeschoten van distelen; zijn gedaante was met netelen bedekt, en zijn stenen scheidsmuur was afgebroken.
32Als ik dat aanschouwde, nam ik het ter harte; ik zag het, en nam onderwijzing aan;
33Een weinig slapens, een weinig sluimerens, en weinig handvouwens, al nederliggende;
34Zo zal uw armoede u overkomen, als een wandelaar, en uw velerlei gebrek als een gewapend man.
Deze bijbeltekst is ontleend aan aan de Staten Vertaling van 1637