Gerelateerd aan Spreuken 11:12

Gerelateerd aan Spreuken 11:12

Spreuken 10:19

Een veelprater begaat al snel een misstap, wie zijn tong in toom houdt is verstandig.
Gerelateerd aan Spreuken 11:12

1 Petrus 2:23

Hij werd gehoond en hoonde zelf niet, hij leed en dreigde niet, hij liet het oordeel over aan hem die rechtvaardig oordeelt.
Gerelateerd aan Spreuken 11:12

Lukas 18:9

Met het oog op sommigen die zichzelf rechtvaardig vinden en anderen minachten, vertelde hij de volgende gelijkenis.
Gerelateerd aan Spreuken 11:12

Lukas 16:14

De Farizeeën, die geldzuchtig waren, hoorden dit alles aan en ze haalden honend hun neus voor hem op.
Gerelateerd aan Spreuken 11:12

Psalmen 123:3

Wees genadig, HEER, wees ons genadig, wij worden veracht, meer dan te dragen is.
Gerelateerd aan Spreuken 11:12

Richteren 9:27

Ze gingen weer naar hun wijngaarden, plukten de druiven en persten die uit. Daarna hielden ze een oogstfeest, en tijdens het feestmaal in de tempel van hun god begonnen ze Abimelech te beschimpen.
Gerelateerd aan Spreuken 11:12

Richteren 9:38

Toen zei Zebul tegen hem: 'U moest toch zo nodig zeggen: "Wie is die Abimelech eigenlijk, dat wij aan hem onderworpen zouden zijn?" Hier is het leger waarover u zo laatdunkend hebt gesproken. Vooruit, bind nu de strijd maar met hem aan!'
Gerelateerd aan Spreuken 11:12

Johannes 7:48

Er is toch geen enkele leider of Farizeeër tot geloof in hem gekomen?
Gerelateerd aan Spreuken 11:12

Spreuken 14:21

Wie zijn medemens veracht, is een zondaar, gelukkig hij die zich bekommert om de armen.
Gerelateerd aan Spreuken 11:12

1 Samuel 10:27

Sommigen waren minder overtuigd en zeiden smalend: 'Moet die ons uit de nood redden?' Ze keken minachtend op hem neer en boden hem geen geschenken aan. Maar Saul deed alsof hij er niets van merkte.
Gerelateerd aan Spreuken 11:12

2 Koningen 18:36

Maar het volk zweeg en antwoordde met geen woord, want zo had de koning het bevolen.
Gerelateerd aan Spreuken 11:12

Nehemia 4:2

(3:34) In tegenwoordigheid van zijn ambtgenoten en van het leger van Samaria zei hij: 'Wat doen die zielige Joden toch? Denken ze de muur zelf te kunnen repareren? Willen ze echt gaan offeren? Denken ze dat werk vandaag nog af te krijgen? Zijn ze serieus van plan de stenen uit die totaal verbrande puinhopen opnieuw te gebruiken?'