SV
13Vele varren hebben mij omsingeld, sterke stieren van Basan hebben mij omringd.
14Zij hebben hun mond tegen mij opgesperd, als een verscheurende en brullende leeuw.
17Want honden hebben mij omsingeld; een vergadering van boosdoeners heeft mij omgeven; zij hebben mijn handen en mijn voeten doorgraven.
21Red mijn ziel van het zwaard, mijn eenzame van het geweld des honds.
Deze bijbeltekst is ontleend aan aan de Staten Vertaling van 1637