Gerelateerd aan Psalmen 109:25
Gerelateerd aan Psalmen 109:25
Psalmen 22:6
(22:7) Maar ik ben een worm en geen mens, door iedereen versmaad, bij het volk veracht.
Gerelateerd aan Psalmen 109:25
Romeinen 15:3
Ook Christus zocht niet zijn eigen belang; integendeel, er staat geschreven: 'De smaad van wie u smaadt, is op mij neergekomen.'
Gerelateerd aan Psalmen 109:25
Psalmen 69:19
(69:20) U kent mijn smaad, mijn schande, mijn schaamte, al mijn belagers staan voor u.
Gerelateerd aan Psalmen 109:25
Psalmen 31:11
(31:12) Bij allen die mij belagen wek ik de lachlust, bij mijn buren nog het meest. Wie mij kennen zijn verbijsterd, wie mij zien aankomen op straat wenden zich af en ontvluchten mij.
Gerelateerd aan Psalmen 109:25
Jesaja 37:22
dit is wat ik, de HEER, over hem zeg: Vrouwe Sion minacht je, ze lacht je uit, meewarig schudt Jeruzalem haar hoofd.
Gerelateerd aan Psalmen 109:25
Job 16:4
Zaten jullie op mijn plaats, ik zou hetzelfde tegen jullie inbrengen; ik zou een lange redevoering houden, meewarig schuddend met mijn hoofd.
Gerelateerd aan Psalmen 109:25
Hebreeën 13:13
Laten we dus het kamp verlaten, ons bij hem voegen en delen in zijn vernedering.
Gerelateerd aan Psalmen 109:25
Psalmen 69:9
(69:10) De hartstocht voor uw huis heeft mij verteerd, de smaad van wie u smaadt, is op mij neergekomen.
Gerelateerd aan Psalmen 109:25
Hebreeën 12:2
Laten we daarbij de blik gericht houden op Jezus, de grondlegger en voltooier van ons geloof: denkend aan de vreugde die voor hem in het verschiet lag, liet hij zich niet afschrikken door de schande van het kruis. Hij hield stand en nam plaats aan de rechterzijde van de troon van God.
Gerelateerd aan Psalmen 109:25
Mattheüs 27:39
De voorbijgangers keken hoofdschuddend toe en dreven de spot met hem:
Gerelateerd aan Psalmen 109:25
Markus 15:29
De voorbijgangers keken hoofdschuddend toe en dreven de spot met hem: ‘Ach, kijk nu toch eens! Jij die de tempel afbreekt en in drie dagen weer opbouwt,
Gerelateerd aan Psalmen 109:25
Psalmen 35:15
Maar toen ik dreigde te vallen, verheugden zij zich, ze liepen te hoop en sloegen me onverwachts neer, ze hadden me willen verscheuren,