Gerelateerd aan Mattheüs 26:61

Gerelateerd aan Mattheüs 26:61

Mattheüs 27:40

‘Jij was toch de man die de tempel kon afbreken en in drie dagen weer opbouwen? Als je de Zoon van God bent, red jezelf dan maar en kom van dat kruis af!’
Gerelateerd aan Mattheüs 26:61

Johannes 2:19

Jezus antwoordde hun: ‘Breek deze tempel maar af, en ik zal hem in drie dagen weer opbouwen.’
Gerelateerd aan Mattheüs 26:61

Jesaja 49:7

Dit zegt de HEER, de bevrijder, de Heilige van Israël, tegen hem die smadelijk veracht wordt, die door vreemde volken wordt verafschuwd, die dienaar is van vreemde heersers: Koningen zullen dit zien en opstaan, vorsten buigen diep voorover, omwille van de HEER, die betrouwbaar is, de Heilige van Israël, die jou heeft uitgekozen.
Gerelateerd aan Mattheüs 26:61

Markus 15:29

De voorbijgangers keken hoofdschuddend toe en dreven de spot met hem: ‘Ach, kijk nu toch eens! Jij die de tempel afbreekt en in drie dagen weer opbouwt,
Gerelateerd aan Mattheüs 26:61

Jesaja 53:3

Hij werd veracht, door mensen gemeden, hij was een man die het lijden kende en met ziekte vertrouwd was, een man die zijn gelaat voor ons verborg, veracht, door ons verguisd en geminacht.
Gerelateerd aan Mattheüs 26:61

Handelingen 17:18

Onder hen waren ook enkele epicurische en stoïsche filosofen, van wie sommigen zeiden: ‘Wat beweert die praatjesmaker toch?’ Anderen merkten op: ‘Hij schijnt een boodschapper van uitheemse goden te zijn, ‘omdat ze dachten dat hij predikte over Jezus en een godin die Opstanding heette.
Gerelateerd aan Mattheüs 26:61

Psalmen 22:6

(22:7) Maar ik ben een worm en geen mens, door iedereen versmaad, bij het volk veracht.
Gerelateerd aan Mattheüs 26:61

Handelingen 6:13

Ze lieten valse getuigen komen, die verklaarden: ‘Deze man keert zich steeds weer tegen de tempel en de wet,
Gerelateerd aan Mattheüs 26:61

Mattheüs 26:71

Toen hij wilde weggaan naar het poortgebouw, zag een ander meisje hem. Ze zei tegen de omstanders: ‘Die man hoorde bij Jezus van Nazaret!’
Gerelateerd aan Mattheüs 26:61

Genesis 19:9

Maar ze schreeuwden: ‘Uit de weg!’ Ook riepen ze: ‘Dat woont hier als vreemdeling en moet ons zo nodig de wet voorschrijven. Wacht maar, jij zult er ook van lusten, en nog meer dan zij!’ En ze drongen Lot ruw opzij en wilden de deur openbreken.
Gerelateerd aan Mattheüs 26:61

Mattheüs 12:24

Maar de Farizeeën die dit hoorden, zeiden tegen elkaar: ‘Hij kan die demonen alleen maar uitdrijven dankzij Beëlzebul, de vorst der demonen.’
Gerelateerd aan Mattheüs 26:61

Handelingen 22:22

Tot zover had de menigte naar Paulus geluisterd, maar nu begon iedereen luidkeels te roepen: ‘Weg met die man! Zo iemand heeft niet het recht om te leven!’
Gerelateerd aan Mattheüs 26:61

Jeremia 26:16

Toen zeiden de leiders en de andere aanwezigen tegen de priesters en de profeten: ‘Deze man kan niet ter dood gebracht worden, want hij heeft in de naam van de HEER, onze God, tot ons gesproken.’
Gerelateerd aan Mattheüs 26:61

Handelingen 18:13

Ze namen hem mee naar Gallio en zeiden: ‘Deze man haalt de mensen over om God te vereren op een wijze die in strijd is met de wet.’
Gerelateerd aan Mattheüs 26:61

2 Koningen 9:11

Toen Jehu terugkwam bij de dienaren van zijn heer vroegen ze hem: 'Is alles in orde? Wat moest die gek van jou?' 'Ach, het gewone gezeur, jullie kennen dat wel, 'antwoordde Jehu.
Gerelateerd aan Mattheüs 26:61

Lukas 23:2

Daar brachten ze de volgende beschuldigingen tegen hem in: ‘We hebben vastgesteld dat deze man ons volk van het rechte pad afbrengt en de mensen ervan weerhoudt belastingen aan de keizer te betalen en dat hij van zichzelf zegt de messiaanse koning te zijn.’
Gerelateerd aan Mattheüs 26:61

1 Koningen 22:27

Zeg tegen hen dat ze hem in de gevangenis moeten opsluiten en op water en brood moeten zetten totdat ik behouden ben teruggekeerd.'
Gerelateerd aan Mattheüs 26:61

Johannes 9:29

Van Mozes weten we dat God met hem gesproken heeft, maar van deze man weten we niet waar hij vandaan komt.’
Gerelateerd aan Mattheüs 26:61

Jeremia 26:8

Nadat hij tegen hen gezegd had wat de HEER hem had opgedragen, grepen ze hem vast. ‘Sterven moet jij!’ riepen ze.