Gerelateerd aan Markus 11:1
Gerelateerd aan Markus 11:1
Johannes 12:14
Jezus zag een ezel staan en ging erop zitten, zoals geschreven staat:
Gerelateerd aan Markus 11:1
Johannes 8:1
Jezus ging naar de Olijfberg,
Gerelateerd aan Markus 11:1
Mattheüs 21:1
Toen ze Jeruzalem naderden en bij Betfage op de Olijfberg kwamen, stuurde Jezus er twee leerlingen op uit.
Gerelateerd aan Markus 11:1
Lukas 19:29
Toen hij Betfage en Betanië bij de Olijfberg naderde, stuurde hij twee van de leerlingen vooruit
Gerelateerd aan Markus 11:1
Zacharia 14:4
Die dag zal hij zijn voeten op de Olijfberg planten, ten oosten van Jeruzalem. De Olijfberg zal in tweeën splijten: de ene helft glijdt weg naar het noorden en de andere naar het zuiden, zodat er een breed dal ontstaat van oost naar west.
Gerelateerd aan Markus 11:1
Mattheüs 21:17
Zo liet hij hen staan, en hij ging de stad uit, naar Betanië, waar hij de nacht doorbracht.
Gerelateerd aan Markus 11:1
Mattheüs 26:30
Nadat ze de lofzang hadden gezongen, vertrokken ze naar de Olijfberg.
Gerelateerd aan Markus 11:1
Markus 14:13
Hij stuurde twee van zijn leerlingen op pad en zei tegen hen: ‘Ga naar de stad. Daar zal een man die een kruik water draagt jullie tegemoet komen; volg hem,
Gerelateerd aan Markus 11:1
Mattheüs 24:3
Op de Olijfberg ging hij zitten met zijn leerlingen om zich heen, en nu ze onder elkaar waren vroegen ze: ‘Vertel ons, wanneer zal dat allemaal gebeuren en aan welk teken kunnen we uw komst en de voltooiing van deze wereld herkennen?’
Gerelateerd aan Markus 11:1
Handelingen 1:12
Daarop keerden de apostelen van de Olijfberg terug naar Jeruzalem. Deze berg ligt vlak bij de stad, op een sabbatsreis afstand.
Gerelateerd aan Markus 11:1
Markus 6:7
Hij riep de twaalf bij zich en zond hen twee aan twee uit, en gaf hun macht over de onreine geesten.
Gerelateerd aan Markus 11:1
Markus 13:3
Toen hij op de Olijfberg was gaan zitten, tegenover de tempel, en Petrus, Jakobus, Johannes en Andreas alleen met hem waren, stelde Petrus hem de vraag:
Gerelateerd aan Markus 11:1
2 Samuel 15:30
David ging de helling van de Olijfberg op. Jammerend klom hij naar boven, zijn hoofd bedekt en barrevoets. Allen die met hem meegingen, hadden hun hoofd bedekt en klommen jammerend naar boven.