Lukas 2:1-38

SV

1En het geschiedde in diezelfde dagen, dat er een gebod uitging van den Keizer Augustus, dat de gehele wereld beschreven zou worden.
2Deze eerste beschrijving geschiedde, als Cyrenius over Syrie stadhouder was.
3En zij gingen allen om beschreven te worden, een iegelijk naar zijn eigen stad.
4En Jozef ging ook op van Galilea, uit de stad Nazareth, naar Judea, tot de stad Davids, die Bethlehem genaamd wordt, (omdat hij uit het huis en geslacht van David was);
5Om beschreven te worden met Maria, zijn ondertrouwde vrouw, welke bevrucht was.
6En het geschiedde, als zij daar waren, dat de dagen vervuld werden, dat zij baren zoude.
7En zij baarde haar eerstgeboren Zoon, en wond Hem in doeken, en legde Hem neder in de kribbe, omdat voor henlieden geen plaats was in de herberg.
8En er waren herders in diezelfde landstreek, zich houdende in het veld, en hielden de nachtwacht over hun kudde.
9En ziet, een engel des Heeren stond bij hen, en de heerlijkheid des Heeren omscheen hen, en zij vreesden met grote vreze.
10En de engel zeide tot hen: Vreest niet, want, ziet, ik verkondig u grote blijdschap, die al den volke wezen zal;
11Namelijk dat u heden geboren is de Zaligmaker, welke is Christus, de Heere, in de stad Davids.
12En dit zal u het teken zijn: gij zult het Kindeken vinden in doeken gewonden, en liggende in de kribbe.
13En van stonde aan was er met den engel een menigte des hemelsen heirlegers, prijzende God en zeggende:
14Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen.
15En het geschiedde, als de engelen van hen weggevaren waren naar de hemel, dat de herders tot elkander zeiden: Laat ons dan heengaan naar Bethlehem, en laat ons zien het woord, dat er geschied is, hetwelk de Heere ons heeft verkondigd.
16En zij kwamen met haast, en vonden Maria en Jozef, en het Kindeken liggende in de kribbe.
17En als zij Het gezien hadden, maakten zij alom bekend het woord, dat hun van dit Kindeken gezegd was.
18En allen, die het hoorden, verwonderden zich over hetgeen hun gezegd werd van de herders.
19Doch Maria bewaarde deze woorden alle te zamen, overleggende die in haar hart.
20En de herders keerde wederom, verheerlijkende en prijzende God over alles, wat zij gehoord en gezien hadden, gelijk tot hen gesproken was.
21En als acht dagen vervuld waren, dat men het Kindeken besnijden zou, zo werd Zijn Naam genaamd JEZUS, welke genaamd was van den engel, eer Hij in het lichaam ontvangen was.
22En als de dagen harer reiniging vervuld waren, naar de wet van Mozes, brachten zij Hem te Jeruzalem, opdat zij Hem den Heere voorstelden;
23(Gelijk geschreven is in de wet des Heeren: Al wat mannelijk is, dat de moeder opent, zal den Heere heilig genaamd worden.)
24En opdat zij offerande gaven, naar hetgeen in de wet des Heeren gezegd is, een paar tortelduiven, of twee jonge duiven.
25En ziet, er was een mens te Jeruzalem, wiens naam was Simeon; en deze mens was rechtvaardig en godvrezende; verwachtende de vertroosting Israels, en de Heilige Geest was op hem.
26En hem was een Goddelijke openbaring gedaan door den Heiligen Geest, dat hij den dood niet zien zoude, eer hij den Christus des Heeren zou zien.
27En hij kwam door den Geest in den tempel. En als de ouders het Kindeken Jezus inbrachten, om naar de gewoonte der wet met Hem te doen;
28Zo nam hij Hetzelve in zijn armen, en loofde God, en zeide:
29Nu laat Gij, Heere! Uw dienstknecht gaan in vrede naar Uw woord;
30Want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien,
31Die Gij bereid hebt voor het aangezicht van al de volken;
32Een Licht tot verlichting der heidenen, en tot heerlijkheid van Uw volk Israel.
33En Jozef en Zijn moeder verwonderden zich over hetgeen van Hem gezegd werd.
34En Simeon zegende henlieden, en zeide tot Maria, Zijn moeder: Zie, Deze wordt gezet tot een val en opstanding veler in Israel, en tot een teken, dat wedersproken zal worden.
35(En ook een zwaard zal door uw eigen ziel gaan) opdat de gedachten uit vele harten geopenbaard worden.
36En er was Anna, een profetesse, een dochter van Fanuel, uit den stam van Aser; deze was tot groten ouderdom gekomen, welke met haar man zeven jaren had geleefd van haar maagdom af.
37En zij was een weduwe van omtrent vier en tachtig jaren, dewelke niet week uit den tempel, met vasten en bidden, God dienende nacht en dag.
38En deze, te dierzelfder ure daarbij komende, heeft insgelijks den Heere beleden, en sprak van Hem tot allen, die de verlossing in Jeruzalem verwachtten.

KJV

1And it came to pass in those days, that there went out a decree from Caesar Augustus, that all the world should be taxed.
2And this taxing was first made when Cyrenius was governor of Syria.)
3And all went to be taxed, every one into his own city.
4And Joseph also went up from Galilee, out of the city of Nazareth, into Judaea, unto the city of David, which is called Bethlehem; (because he was of the house and lineage of David:)
5To be taxed with Mary his espoused wife, being great with child.
6And so it was, that, while they were there, the days were accomplished that she should be delivered.
7And she brought forth her firstborn son, and wrapped him in swaddling clothes, and laid him in a manger; because there was no room for them in the inn.
8And there were in the same country shepherds abiding in the field, keeping watch over their flock by night.
9And, lo, the angel of the Lord came upon them, and the glory of the Lord shone round about them: and they were sore afraid.
10And the angel said unto them, Fear not: for, behold, I bring you good tidings of great joy, which shall be to all people.
11For unto you is born this day in the city of David a Saviour, which is Christ the Lord.
12And this shall be a sign unto you; Ye shall find the babe wrapped in swaddling clothes, lying in a manger.
13And suddenly there was with the angel a multitude of the heavenly host praising God, and saying,
14Glory to God in the highest, and on earth peace, good will toward men.
15And it came to pass, as the angels were gone away from them into heaven, the shepherds said one to another, Let us now go even unto Bethlehem, and see this thing which is come to pass, which the Lord hath made known unto us.
16And they came with haste, and found Mary, and Joseph, and the babe lying in a manger.
17And when they had seen it, they made known abroad the saying which was told them concerning this child.
18And all they that heard it wondered at those things which were told them by the shepherds.
19But Mary kept all these things, and pondered them in her heart.
20And the shepherds returned, glorifying and praising God for all the things that they had heard and seen, as it was told unto them.
21And when eight days were accomplished for the circumcising of the child, his name was called JESUS, which was so named of the angel before he was conceived in the womb.
22And when the days of her purification according to the law of Moses were accomplished, they brought him to Jerusalem, to present him to the Lord;
23As it is written in the law of the Lord, Every male that openeth the womb shall be called holy to the Lord;)
24And to offer a sacrifice according to that which is said in the law of the Lord, A pair of turtledoves, or two young pigeons.
25And, behold, there was a man in Jerusalem, whose name was Simeon; and the same man was just and devout, waiting for the consolation of Israel: and the Holy Ghost was upon him.
26And it was revealed unto him by the Holy Ghost, that he should not see death, before he had seen the Lord's Christ.
27And he came by the Spirit into the temple: and when the parents brought in the child Jesus, to do for him after the custom of the law,
28Then took he him up in his arms, and blessed God, and said,
29Lord, now lettest thou thy servant depart in peace, according to thy word:
30For mine eyes have seen thy salvation,
31Which thou hast prepared before the face of all people;
32A light to lighten the Gentiles, and the glory of thy people Israel.
33And Joseph and his mother marvelled at those things which were spoken of him.
34And Simeon blessed them, and said unto Mary his mother, Behold, this child is set for the fall and rising again of many in Israel; and for a sign which shall be spoken against;
35Yea, a sword shall pierce through thy own soul also,) that the thoughts of many hearts may be revealed.
36And there was one Anna, a prophetess, the daughter of Phanuel, of the tribe of Aser: she was of a great age, and had lived with an husband seven years from her virginity;
37And she was a widow of about fourscore and four years, which departed not from the temple, but served God with fastings and prayers night and day.
38And she coming in that instant gave thanks likewise unto the Lord, and spake of him to all them that looked for redemption in Jerusalem.
Helaas geen NBV vertaling meer. Binnen de huidige voorwaarden van het Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap is dit momenteel niet toegestaan.

Suggesties voor alternatieven zijn welkom via het feedback formulier.