Gerelateerd aan Leviticus 6:4

Gerelateerd aan Leviticus 6:4

Genesis 21:25

Maar wel maakte hij Abimelech verwijten over een waterput die Abimelechs knechten zich hadden toegeëigend.
Gerelateerd aan Leviticus 6:4

Ezechiel 18:12

wie misdeeld en arm is buit hij uit, hij steelt en geeft wat hij als onderpand heeft gekregen niet terug; hij vereert de afgoden, misdraagt zich gruwelijk,
Gerelateerd aan Leviticus 6:4

Jesaja 59:6

Hun spinnendraden zijn ongeschikt voor kleding, wat zij maken kan niet worden aangetrokken. Hun daden zijn heilloze daden, hun handen staan naar geweld.
Gerelateerd aan Leviticus 6:4

Zefanja 1:9

Op die dag zal ik straffen wie over de drempel springt, wie het huis van zijn heer vult met geweld en bedrog.
Gerelateerd aan Leviticus 6:4

Job 20:19

Want hij heeft de armen onderdrukt en in de steek gelaten; hij heeft hun huis verwoest, hij heeft het niet gebouwd.
Gerelateerd aan Leviticus 6:4

Job 24:2

Er zijn mensen die grensstenen verplaatsen, die kudden stelen en ze weiden als de hunne.
Gerelateerd aan Leviticus 6:4

Leviticus 5:3

net als iemand wie het is ontschoten dat hij in aanraking is geweest met de onreinheid van een mens, van welke aard dan ook,
Gerelateerd aan Leviticus 6:4

Ezechiel 18:18

Maar zijn vader-die een uitbuiter is geweest, die anderen bestolen heeft en zijn eigen familie heeft benadeeld-, zijn vader zal sterven, door zijn eigen schuld.
Gerelateerd aan Leviticus 6:4

Amos 3:10

Tot rechtvaardigheid zijn ze daar niet in staat-spreekt de HEER -,zij die hun burchten vullen met onderdrukking en geweld.'
Gerelateerd aan Leviticus 6:4

Ezechiel 18:7

hij buit niemand uit, geeft de schuldenaar zijn onderpand terug en besteelt niemand. Hij deelt zijn brood met al wie honger heeft, wie naakt is geeft hij kleren;
Gerelateerd aan Leviticus 6:4

Leviticus 4:13

Als de gehele gemeenschap zonder het te beseffen zondigt tegen een van de geboden van de HEER en onopzettelijk schuld op zich laadt door iets te doen dat niet toegestaan is,
Gerelateerd aan Leviticus 6:4

Micha 2:2

Willen ze een veld? Ze roven het! Willen ze een huis? Ze nemen het! Ze maken zich meester van huizen en hun bezitters, van mensen en hun eigendom.