Gerelateerd aan Job 2:9-10

Gerelateerd aan Job 2:9

Job 2:5

Maar als u uw hand naar hem uitstrekt en zijn lichaam aantast, zal hij u ongetwijfeld in uw gezicht vervloeken.'
Gerelateerd aan Job 2:9

Job 2:3

De HEER vroeg aan Satan: 'Heb je ook op mijn dienaar Job gelet? Zoals hij is er niemand op aarde: hij is rechtschapen en onberispelijk, hij heeft ontzag voor God en mijdt het kwaad. Ja, hij is nog even onberispelijk als altijd, en jij hebt mij ertoe aangezet hem zonder reden te gronde te richten.'
Gerelateerd aan Job 2:9

1 Koningen 11:4

op zijn oude dag verleidden zij hem ertoe andere goden te gaan dienen en was hij de HEER, zijn God, niet meer met hart en ziel toegedaan zoals zijn vader David dat was geweest.
Gerelateerd aan Job 2:9

Genesis 3:6

De vrouw keek naar de boom. Zijn vruchten zagen er heerlijk uit, ze waren een lust voor het oog, en ze vond het aanlokkelijk dat de boom haar wijsheid zou schenken. Ze plukte een paar vruchten en at ervan. Ze gaf ook wat aan haar man, die bij haar was, en ook hij at ervan.
Gerelateerd aan Job 2:9

Job 21:14

Ze zeggen tegen God: "Blijf ver van ons, wij willen niet de wegen volgen die u wijst.
Gerelateerd aan Job 2:9

Maleachi 3:14

Jullie hebben gezegd: 'Wat heeft het voor nut om God te dienen, wat hebben we eraan dat we zijn voorschriften in acht nemen en ons in een boetekleed hullen voor de HEER van de hemelse machten?
Gerelateerd aan Job 2:9

Genesis 3:12

De mens antwoordde: ‘De vrouw die u hebt gemaakt om mij ter zijde te staan, heeft mij vruchten van de boom gegeven en toen heb ik ervan gegeten.’
Gerelateerd aan Job 2:9

Job 1:11

Maar als u uw hand naar hem uitstrekt en aantast wat hem toebehoort, zal hij u ongetwijfeld in uw gezicht vervloeken.'
Gerelateerd aan Job 2:9

2 Koningen 6:33

Elisa was nog niet uitgesproken, of daar kwam de bode van de koning al aan. 'De HEER heeft deze ellende over ons gebracht, 'zei hij. 'Waarom zou ik mijn hoop dan nog op hem vestigen?'
Gerelateerd aan Job 2:10

Jakobus 1:12

Gelukkig is de mens die in de beproeving staande blijft. Want wie de proef doorstaat, ontvangt als lauwerkrans het leven, zoals God heeft beloofd aan iedereen die hem liefheeft.
Gerelateerd aan Job 2:10

Klaagliederen 3:38

Komt uit de mond van de Allerhoogste niet goed zowel als kwaad?
Gerelateerd aan Job 2:10

Job 1:21

En hij zei: 'Naakt ben ik uit de schoot van mijn moeder gekomen en naakt zal ik in haar schoot terugkeren. De HEER heeft gegeven, de HEER heeft genomen, de naam van de HEER zij geprezen.'
Gerelateerd aan Job 2:10

Jakobus 5:10

Neem een voorbeeld aan het geduldige lijden van de profeten die in de naam van de Heer spraken.
Gerelateerd aan Job 2:10

Mattheüs 16:23

Maar Jezus keerde hem de rug toe met de woorden: ‘Ga terug, achter mij, Satan! Je zou me nog van de goede weg afbrengen. Je denkt niet aan wat God wil, maar alleen aan wat de mensen willen.’
Gerelateerd aan Job 2:10

Romeinen 12:12

Wees verheugd door de hoop die u hebt, wees standvastig wanneer u tegenspoed ondervindt, en bid onophoudelijk.
Gerelateerd aan Job 2:10

Johannes 18:11

Maar Jezus zei tegen Petrus: ‘Steek je zwaard in de schede. Zou ik de beker die de Vader mij gegeven heeft niet drinken?’
Gerelateerd aan Job 2:10

Hebreeën 12:9

Daar komt nog bij dat wij voor onze aardse vaders, door wie we werden opgevoed, respect hadden; hoeveel te meer zullen we ons dan niet onderwerpen aan het gezag van de Vader van alle geesten, en dan leven?
Gerelateerd aan Job 2:10

Mattheüs 12:34

Addergebroed! Hoe kunt u iets goeds zeggen terwijl u zelf slecht bent? Waar het hart vol van is, daar loopt de mond van over.
Gerelateerd aan Job 2:10

2 Samuel 24:10

Toen het tot David doordrong wat hij had gedaan, sloeg de schrik hem om het hart. Hij zei tegen de HEER: 'Ik heb ernstig gezondigd met mijn daad. Ach HEER, vergeef uw dienaar zijn zonde; ik ben een dwaas geweest.'
Gerelateerd aan Job 2:10

Psalmen 39:1

Voor de koorleider. Voor Jedutun. Een psalm van David. (39:2) Ik had mij voorgehouden: Ik moet mij beheersen en mijn tong voor zonde behoeden, mijn mond met een muilband bedwingen te midden van mensen zonder God of gebod.