SV
13Mijn broeders heeft Hij verre van mij gedaan; en die mij kennen, zekerlijk, zij zijn van mij vervreemd.
14Mijn nabestaanden houden op, en mijn bekenden vergeten mij.
15Mijn huisgenoten en mijn dienstmaagden achten mij voor een vreemde; een uitlander ben ik in hun ogen.
18Ook versmaden mij de jonge kinderen; sta ik op, zo spreken zij mij tegen.
Deze bijbeltekst is ontleend aan aan de Staten Vertaling van 1637