Gerelateerd aan Genesis 44:16
Gerelateerd aan Genesis 44:16
Genesis 44:9
Als u bij een van ons iets mocht aantreffen, heer, dan moet hij ter dood gebracht worden en zal de rest van ons u als slaaf dienen.’
Gerelateerd aan Genesis 44:16
Daniel 9:7
U, Heer, staat in uw recht, maar tot op deze dag staat de schaamte ons op het gezicht, ons, de mannen van Juda, de inwoners van Jeruzalem, alle Israëlieten, of ze nu dichtbij zijn of ver weg, in alle landen waarheen u hen hebt verdreven vanwege hun ontrouw jegens u.
Gerelateerd aan Genesis 44:16
Numeri 32:23
Maar doet u dit niet, dan zondigt u tegen de HEER en zult u de gevolgen van uw zonde ondervinden.
Gerelateerd aan Genesis 44:16
Lukas 12:2
Niets is verborgen dat niet onthuld zal worden, en niets is geheim dat niet bekend zal worden.
Gerelateerd aan Genesis 44:16
Genesis 37:7
‘We waren op het land schoven aan het binden, en toen kwam mijn schoof overeind en bleef rechtop staan. En jullie schoven gingen om die van mij heen staan en bogen daarvoor.’
Gerelateerd aan Genesis 44:16
Jesaja 27:9
Hij verbrijzelt alle altaarstenen alsof het kalksteen is, elk wierookaltaar wordt omvergehaald, elke Asjerapaal wordt omgehakt. Zo wordt afgerekend met Jakobs wandaden, zo wordt zijn schuld vereffend.
Gerelateerd aan Genesis 44:16
Jesaja 5:3
Welnu, inwoners van Juda en Jeruzalem, spreek recht tussen mij en mijn wijngaard.
Gerelateerd aan Genesis 44:16
Jozua 7:1
Maar Israël schond de ban. Er was een zekere Achan: hij was een zoon van Karmi, die een zoon was van Zabdi, de zoon van Zerach, en hij was afkomstig uit de stam Juda. Deze Achan vergreep zich aan de goederen die onvoorwaardelijk aan de HEER gewijd waren. Hierop ontstak de HEER in woede tegen het volk van Israël.
Gerelateerd aan Genesis 44:16
Deuteronomium 25:1
Wanneer twee mannen een geschil hebben en ermee naar de rechter gaan, en in het vonnis wordt de een vrijgesproken en de ander veroordeeld,
Gerelateerd aan Genesis 44:16
Ezra 9:15
HEER, God van Israël, u bent rechtvaardig, want wij zijn ontkomen, wij zijn overgebleven tot op deze dag. Schuldig staan wij hier voor u-hoe kunnen we u zo onder ogen komen?'
Gerelateerd aan Genesis 44:16
Genesis 42:21
en ze zeiden tegen elkaar: ‘Dit is onze straf omdat we ons niets hebben aangetrokken van de smeekbeden van onze broer, terwijl we toch zagen dat hij doodsbenauwd was. Daardoor zitten wij nu in de ellende.’
Gerelateerd aan Genesis 44:16
Genesis 43:8
Juda zei tegen zijn vader: ‘Geef de jongen nu maar aan mij mee, dan kunnen we vertrekken en hoeft niemand van ons om te komen, wij niet, u niet en onze kinderen niet.
Gerelateerd aan Genesis 44:16
Job 40:4
'Ik ben onaanzienlijk. Wat zal ik u antwoorden? Ik leg mijn hand op mijn mond.
Gerelateerd aan Genesis 44:16
Richteren 1:7
Adonibezek verklaarde: 'Ik heb aan mijn hof wel zeventig koningen van wie ik de duimen en grote tenen heb afgehakt en die zich in leven houden met de kruimels onder mijn tafel. God vergeldt mij nu wat ik hun heb aangedaan!' Hij werd naar Jeruzalem gebracht, en daar is hij gestorven.
Gerelateerd aan Genesis 44:16
Genesis 37:9
Opnieuw kreeg hij een droom die hij aan zijn broers vertelde. ‘Ik heb alweer een droom gehad, ‘zei hij. ‘Nu bogen de zon, de maan en elf sterren zich voor mij neer.’
Gerelateerd aan Genesis 44:16
Mattheüs 7:2
Want op grond van het oordeel dat je velt, zal er over je geoordeeld worden, en met de maat waarmee je meet, zal jou de maat genomen worden.
Gerelateerd aan Genesis 44:16
Jozua 7:18
En van diens familie liet Jozua de mannen aantreden en Achan werd aangewezen: een zoon van Karmi, die een zoon was van Zabdi, de zoon van Zerach, en afkomstig uit de stam Juda.
Gerelateerd aan Genesis 44:16
Genesis 44:32
Ik heb mij bij mijn vader borg gesteld voor de jongen; ik heb hem gezegd dat hij het mij mijn leven lang mag aanrekenen als ik de jongen niet terugbreng.
Gerelateerd aan Genesis 44:16
Spreuken 17:15
Wie een goddeloze vrijspreekt en wie een rechtvaardige beschuldigt, beiden zijn de HEER een gruwel.
Gerelateerd aan Genesis 44:16
Handelingen 2:37
Toen ze dit hoorden, waren ze diep getroffen en vroegen aan Petrus en de andere apostelen: ‘Wat moeten we doen, broeders?’
1
2