Gerelateerd aan Genesis 31:32
Gerelateerd aan Genesis 31:32
Genesis 44:9
Als u bij een van ons iets mocht aantreffen, heer, dan moet hij ter dood gebracht worden en zal de rest van ons u als slaaf dienen.’
Gerelateerd aan Genesis 31:32
Genesis 30:33
Of ik eerlijk te werk ga zal blijken als u mijn loon komt inspecteren: alle geiten die niet gespikkeld of gevlekt zijn en alle schapen die niet zwart zijn, mag u als gestolen beschouwen.’
Gerelateerd aan Genesis 31:32
Genesis 31:23
Samen met zijn verwanten zette Laban de achtervolging in. Zeven dagen lang joeg hij Jakob achterna. Bijna had hij hem in het bergland van Gilead ingehaald,
Gerelateerd aan Genesis 31:32
1 Samuel 12:3
Hier sta ik. Zeg mij nu ten overstaan van de HEER en zijn gezalfde: Heb ik ooit iemand zijn stier afgenomen? Heb ik ooit iemand zijn ezel afgenomen? Heb ik ooit iemand uitgebuit of mishandeld? Heb ik me ooit door iemand laten omkopen om oogluikend iets toe te staan? Mocht dat zo zijn, dan zal ik het u vergoeden.'
Gerelateerd aan Genesis 31:32
Genesis 31:30
Alleen, je mag dan vertrokken zijn omdat je verteerd werd door heimwee-maar waarom heb je mijn goden gestolen?’
Gerelateerd aan Genesis 31:32
2 Korinthe 12:17
Is er ook maar iemand die ik naar u heb toegestuurd om u uit te buiten?
Gerelateerd aan Genesis 31:32
Genesis 19:7
‘Maar vrienden, zoiets kunnen jullie toch niet doen!’ zei hij.
Gerelateerd aan Genesis 31:32
2 Korinthe 8:20
We willen vermijden dat ons beheer van deze rijke gaven onder verdenking komt te staan,
Gerelateerd aan Genesis 31:32
1 Samuel 14:24
Van de Israëlieten werd die dag het uiterste gevergd, want Saul had de soldaten onder ede bezworen: 'Vervloekt wie het waagt om vóór de avond iets te eten, voor ik me op mijn vijanden heb gewroken.' Dus nam niemand ook maar iets te eten.
Gerelateerd aan Genesis 31:32
Genesis 31:19
Laban was van huis gegaan om zijn schapen te scheren. Rachel nam de kans waar om de godenbeeldjes van haar vader te stelen,
Gerelateerd aan Genesis 31:32
Genesis 13:8
Daarom zei Abram tegen Lot: ‘Waarom zouden we ruziemaken, jij en ik, of jouw herders en de mijne? We zijn toch familie?