Gerelateerd aan Genesis 27
Gerelateerd aan Genesis 27:1
Genesis 48:10
Doordat Israël al oud was, waren zijn ogen dof geworden, hij kon niet goed meer zien. Toen Jozef zijn zonen dichter naar hem toe had gebracht, kuste en omhelsde Israël hen.
Gerelateerd aan Genesis 27:1
1 Samuel 3:2
Op zekere nacht lag Eli op zijn slaapplaats. Zijn ogen waren dof geworden, hij kon bijna niet meer zien.
Gerelateerd aan Genesis 27:1
Johannes 9:3
‘Hij niet en zijn ouders ook niet, ‘was het antwoord van Jezus, ‘maar Gods werk moet door hem zichtbaar worden.
Gerelateerd aan Genesis 27:1
Genesis 25:23
De HEER zei tegen haar: ‘Twee volken zijn er in je schoot, volken die uiteengaan nog voor je hebt gebaard. Het ene zal machtiger zijn dan het andere, de oudste zal de jongste dienen.’
Gerelateerd aan Genesis 27:1
Prediker 12:3
De dag waarop de wachter trillend voor het huis staat, de soldaten kromgebogen voortgaan, de maalsters langzaamaan verdwijnen, de vrouwen uit het venster staren en een schaduw lijken.
Gerelateerd aan Genesis 27:2
Jesaja 38:1
Omstreeks dezelfde tijd werd Hizkia dodelijk ziek. De profeet Jesaja, de zoon van Amos, kwam naar hem toe en zei: ‘Dit zegt de HEER: Maak je laatste wilsbeschikking op, want je sterft. Je zult niet meer beter worden.’
Gerelateerd aan Genesis 27:2
Genesis 47:29
Toen hij voelde dat hij niet lang meer zou leven, liet hij zijn zoon Jozef bij zich komen. ‘Als je het goed met me voorhebt, ‘zei Israël, ‘leg dan je hand in mijn lies en geef mij blijk van je liefde en trouw: zweer dat je me niet in Egypte begraaft.
Gerelateerd aan Genesis 27:2
Jakobus 4:14
U weet niet eens hoe uw leven er morgen uitziet. U bent immers maar damp, die heel even verschijnt en dan al verdwijnt.
Gerelateerd aan Genesis 27:2
Jesaja 38:3
‘HEER, ik smeek u, neem toch in aanmerking dat ik me altijd oprecht en met heel mijn hart naar uw wil heb gericht en steeds heb gedaan wat goed is in uw ogen.’ Daarbij stortte hij bittere tranen.
Gerelateerd aan Genesis 27:2
Spreuken 27:1
Juich niet over de dag van morgen, je weet niet wat hij brengen zal.
Gerelateerd aan Genesis 27:2
Genesis 48:21
Daarna zei Israël tegen Jozef: ‘Ik zal nu spoedig sterven. Maar God zal jullie ter zijde staan en jullie laten terugkeren naar het land van je voorouders.
Gerelateerd aan Genesis 27:2
Markus 13:35
Wees dus waakzaam, want jullie weten niet wanneer de heer des huizes komt, ‘s avonds, of midden in de nacht, of bij het eerste hanengekraai, of ‘s morgens vroeg.
Gerelateerd aan Genesis 27:2
1 Samuel 20:3
Maar David hield vol: 'Je vader weet heel goed dat jij op me gesteld bent. Daarom denkt hij: Jonatan mag dit niet te weten komen, het zou hem maar verdriet doen. Maar ik zweer je, zo waar de HEER leeft en zo waar jij leeft, Jonatan, ik ben maar één stap van de dood verwijderd.'
Gerelateerd aan Genesis 27:2
Prediker 9:10
Doe wat je hand te doen vindt. Doe het met volle inzet, want er zijn geen daden en gedachten, geen kennis en geen wijsheid in het dodenrijk. Daar ben je altijd naar op weg.
Gerelateerd aan Genesis 27:3
Genesis 25:27
Toen de jongens opgegroeid waren, werd Esau een uitstekend jager, iemand die altijd buiten was, terwijl Jakob een rustig man was, die het liefst bij de tenten bleef.
Gerelateerd aan Genesis 27:3
Genesis 10:9
Hij was een geweldig jager, door niemand overtroffen. Vandaar het gezegde: Een jager zonder weerga, een tweede Nimrod.
Gerelateerd aan Genesis 27:3
1 Korinthe 6:12
U zegt: 'Alles is mij toegestaan.' Maar niet alles is goed voor u. Zeker, alles is mij toegestaan, maar ik mag me door niets laten beheersen.
Gerelateerd aan Genesis 27:4
Genesis 49:28
Dit waren alle stammen van Israël, twaalf in getal, en met deze woorden gaf hun vader elk van hen een eigen zegen.
Gerelateerd aan Genesis 27:4
Genesis 27:25
Toen zei hij: ‘Zet het wildbraad dan dichter bij me, zodat ik ervan kan eten, mijn zoon, en de kracht vind om je te zegenen.’ Jakob zette het dichter bij hem en Isaak at ervan. Ook bracht hij hem wijn, en hij dronk ervan.
Gerelateerd aan Genesis 27:4
Genesis 48:9
Jozef antwoordde zijn vader: ‘Dat zijn mijn zonen, die God mij hier gegeven heeft.’ ‘Laat ze toch dichterbij komen, ‘zei Israël, ‘dan zal ik hen zegenen.’
1
2
3
4
5
6
7