Gerelateerd aan Genesis 27:4
Gerelateerd aan Genesis 27:4
Hebreeën 11:20
Door zijn geloof zegende Isaak Jakob en Esau, en hij dacht daarbij aan wat er in de toekomst zou gebeuren.
Gerelateerd aan Genesis 27:4
Genesis 27:25
Toen zei hij: ‘Zet het wildbraad dan dichter bij me, zodat ik ervan kan eten, mijn zoon, en de kracht vind om je te zegenen.’ Jakob zette het dichter bij hem en Isaak at ervan. Ook bracht hij hem wijn, en hij dronk ervan.
Gerelateerd aan Genesis 27:4
Genesis 49:28
Dit waren alle stammen van Israël, twaalf in getal, en met deze woorden gaf hun vader elk van hen een eigen zegen.
Gerelateerd aan Genesis 27:4
Genesis 48:9
Jozef antwoordde zijn vader: ‘Dat zijn mijn zonen, die God mij hier gegeven heeft.’ ‘Laat ze toch dichterbij komen, ‘zei Israël, ‘dan zal ik hen zegenen.’
Gerelateerd aan Genesis 27:4
Genesis 27:27
Hij kwam dicht bij hem staan en kuste hem. Toen Isaak zijn kleren rook, sprak hij deze zegen over hem uit: ‘De geur van mijn zoon is de geur van het veld, het veld dat de HEER heeft gezegend.
Gerelateerd aan Genesis 27:4
Leviticus 9:22
Daarna strekte hij zijn handen naar het volk uit en zegende het. Nadat Aäron de offers had opgedragen, daalde hij af van het altaar
Gerelateerd aan Genesis 27:4
Genesis 27:31
Ook hij maakte een smakelijk gerecht klaar, bracht het zijn vader en zei tegen hem: ‘Ga overeind zitten, vader, en eet van wat uw zoon heeft geschoten; dat zal u de kracht geven om mij te zegenen.’
Gerelateerd aan Genesis 27:4
Genesis 24:60
Daarbij zegenden ze Rebekka met de woorden: ‘Zuster van ons, wij wensen jou duizend maal tienduizend nazaten toe, en moge de stad van de vijand hun in handen vallen.’
Gerelateerd aan Genesis 27:4
Genesis 48:15
Hij zegende Jozef met deze woorden: ‘De God naar wiens wil mijn voorouders Abraham en Isaak zich richtten, de God die mijn leven lang mijn herder is geweest,
Gerelateerd aan Genesis 27:4
Jozua 22:6
Hierna zegende Jozua hen en nam afscheid, waarna ze huiswaarts gingen.
Gerelateerd aan Genesis 27:4
Genesis 28:3
God, de Ontzagwekkende, moge je zegenen, je vruchtbaar maken en je veel nakomelingen geven, zodat er een groot aantal volken uit je voortkomt.
Gerelateerd aan Genesis 27:4
Deuteronomium 33:1
Dit is de zegen die Mozes, de godsman, uitsprak over de stammen van Israël, voor hij stierf.
Gerelateerd aan Genesis 27:4
Genesis 27:7
“Maak een lekker maal van wildbraad voor me klaar en breng me dat te eten, want ik wil je voor mijn dood zegenen met de HEER als getuige.”
Gerelateerd aan Genesis 27:4
Genesis 14:19
en sprak een zegen over Abram uit: ‘Gezegend zij Abram door God, de Allerhoogste, schepper van hemel en aarde.
Gerelateerd aan Genesis 27:4
Lukas 2:34
Simeon zegende hen en zei tegen Maria, zijn moeder: ‘Weet wel dat velen in Israël door hem ten val zullen komen of juist zullen opstaan. Hij zal een teken zijn dat betwist wordt,
Gerelateerd aan Genesis 27:4
Lukas 24:51
Terwijl hij hen zegende, ging hij van hen heen en werd opgenomen in de hemel.
Gerelateerd aan Genesis 27:4
Genesis 27:23
Omdat Jakobs handen even behaard waren als die van zijn broer Esau, herkende Isaak hem niet en dus zegende hij hem.
Gerelateerd aan Genesis 27:4
Jozua 14:13
Nadat Kaleb dit had gezegd, zegende Jozua hem en gaf hem Hebron als grondgebied.