Gerelateerd aan Genesis 25:34

Gerelateerd aan Genesis 25:34

1 Korinthe 15:32

In Efeze heb ik op leven en dood gevochten; wat zou ik daarmee hebben bereikt als ik geen hoop had? Wanneer de doden toch niet worden opgewekt, kunnen we maar beter zeggen: 'Laten we eten en drinken, want morgen sterven we.'
Gerelateerd aan Genesis 25:34

Mattheüs 26:15

en zei: ‘Wat krijg ik van u als ik hem aan u uitlever?’ Ze betaalden hem dertig zilverstukken.
Gerelateerd aan Genesis 25:34

Psalmen 106:24

Zij weigerden het begeerlijke land en stelden geen vertrouwen in zijn woord.
Gerelateerd aan Genesis 25:34

Mattheüs 22:5

Maar ze negeerden hen en vertrokken, de een naar zijn akker, de ander naar zijn handel.
Gerelateerd aan Genesis 25:34

Handelingen 13:41

“Kijk, spotters, sta verbaasd en ga te gronde, want ik zal in jullie tijd een daad stellen, iets dat je niet zult geloven als het je wordt verteld.”’
Gerelateerd aan Genesis 25:34

Lukas 14:18

Maar een voor een begonnen ze zich te verontschuldigen. De eerste zei: “Ik heb net een akker gekocht, die ik beslist moet gaan bekijken. Tot mijn spijt kan ik de uitnodiging niet aannemen.”
Gerelateerd aan Genesis 25:34

Prediker 8:15

Daarom prijs ik de vreugde, want er is onder de zon niets beters voor de mens dan dat hij zich aan eten en drinken te goed doet en geniet. De vreugde is zijn metgezel wanneer hij zwoegt op elke levensdag onder de zon die God hem heeft gegeven.
Gerelateerd aan Genesis 25:34

Hebreeën 12:16

en dat niemand overspel pleegt of het heilige zozeer minacht als Esau, die voor één enkel bord eten zijn eerstgeboorterecht verkocht.
Gerelateerd aan Genesis 25:34

Filippensen 3:18

Ik heb u al vaak gezegd, en zeg nu zelfs met tranen in mijn ogen: velen leven als vijand van het kruis van Christus
Gerelateerd aan Genesis 25:34

Jesaja 22:13

Maar jullie maakten plezier en vierden feest. Jullie slachtten koeien, schapen en geiten, jullie deden je te goed aan vlees en wijn. ‘Laten we eten en drinken, want morgen sterven we.’
Gerelateerd aan Genesis 25:34

Zacharia 11:13

Toen zei de HEER tegen mij: 'Breng het maar naar de smelter, dat vorstelijke loon dat zij me waard vinden.' Dus smeet ik dat zilver bij de smelter in de tempel neer,