Gerelateerd aan Genesis 11:27-30

Gerelateerd aan Genesis 11:27

Genesis 14:12

Ook Lot, de zoon van Abrams broer, voerden ze weg, met al zijn bezittingen; Lot woonde namelijk in Sodom.
Gerelateerd aan Genesis 11:27

Genesis 11:31

Terach verliet Ur, de stad van de Chaldeeën, en nam zijn zoon Abram met zich mee, evenals zijn kleinzoon Lot, de zoon van Haran, en zijn schoondochter Sarai, Abrams vrouw. Samen gingen ze op weg naar Kanaän. Maar toen ze in Charan waren aangekomen, bleven ze daar wonen.
Gerelateerd aan Genesis 11:27

Genesis 12:4

(4-5) Abram ging uit Charan weg, zoals de HEER hem had opgedragen. Hij was toen vijfenzeventig jaar. Hij nam zijn vrouw Sarai mee en Lot, de zoon van zijn broer, en ook alle bezittingen die ze hadden verworven en de slaven en slavinnen die ze in Charan hadden verkregen. Zo gingen ze op weg naar Kanaän. Toen ze daar waren aangekomen,
Gerelateerd aan Genesis 11:27

2 Petrus 2:7

Maar Lot, die rechtvaardig was en zwaar leed onder de losbandige levenswandel van die wettelozen, redde hij.
Gerelateerd aan Genesis 11:27

Genesis 19:1

De twee engelen kwamen ‘s avonds in Sodom aan. Lot zat juist in de stadspoort. Zodra hij hen zag stond hij op, ging hun tegemoet en boog zich diep voor hen neer.
Gerelateerd aan Genesis 11:27

Genesis 13:1

Vanuit Egypte trok Abram, met zijn vrouw en zijn bezittingen, weer naar de Negev. Lot ging met hem mee.
Gerelateerd aan Genesis 11:28

Genesis 15:7

Ook zei de HEER tegen hem: ‘Ik ben de HEER, die jou heeft weggeleid uit Ur, uit het land van de Chaldeeën, om je dit land in bezit te geven.’
Gerelateerd aan Genesis 11:28

Handelingen 7:2

Stefanus antwoordde: ‘Broeders en leden van het Sanhedrin, luister naar wat ik u te zeggen heb. Toen Abraham, de vader van ons volk, nog in Mesopotamië woonde, voordat hij zich in Charan vestigde, verscheen God in al zijn luister aan hem
Gerelateerd aan Genesis 11:28

Nehemia 9:7

U bent de HEER, de God die Abram heeft uitgekozen, die hem uit Ur, de stad van de Chaldeeën, heeft geleid, die zijn naam veranderd heeft in Abraham.
Gerelateerd aan Genesis 11:28

Genesis 11:31

Terach verliet Ur, de stad van de Chaldeeën, en nam zijn zoon Abram met zich mee, evenals zijn kleinzoon Lot, de zoon van Haran, en zijn schoondochter Sarai, Abrams vrouw. Samen gingen ze op weg naar Kanaän. Maar toen ze in Charan waren aangekomen, bleven ze daar wonen.
Gerelateerd aan Genesis 11:29

Genesis 17:15

Verder zei God tegen Abraham: ‘Wat je vrouw Sarai betreft, voortaan moet je haar niet Sarai noemen maar Sara.
Gerelateerd aan Genesis 11:29

Genesis 22:20

Enige tijd later ontving Abraham het bericht dat ook Milka, de vrouw van zijn broer Nachor, zonen had gekregen:
Gerelateerd aan Genesis 11:29

Genesis 24:15

Hij was nog niet uitgesproken, of Rebekka kwam de stad uit, de dochter van Betuël, die de zoon was van Milka, de vrouw van Abrahams broer Nachor, met haar kruik op haar schouder.
Gerelateerd aan Genesis 11:29

Genesis 20:12

Bovendien, ze is werkelijk mijn zuster: ze is de dochter van mijn vader. Ze is alleen niet de dochter van mijn moeder, en zo kon ze mijn vrouw worden.
Gerelateerd aan Genesis 11:30

1 Samuel 1:2

Hij had twee vrouwen: de ene heette Hanna en de andere Peninna. Peninna had kinderen, maar Hanna niet.
Gerelateerd aan Genesis 11:30

Lukas 1:36

Luister, ook je familielid Elisabet is zwanger van een zoon, ondanks haar hoge leeftijd. Ze is nu, ook al hield men haar voor onvruchtbaar, in de zesde maand van haar zwangerschap,
Gerelateerd aan Genesis 11:30

Psalmen 113:9

De onvruchtbare vrouw laat hij wonen in het huis, een vrolijke moeder van kinderen. Halleluja!
Gerelateerd aan Genesis 11:30

Genesis 30:1

Omdat Rachel geen kinderen van Jakob kreeg, was ze jaloers op haar zuster. ‘Geef mij kinderen, ‘zei ze tegen Jakob, ‘anders ga ik dood!’
Gerelateerd aan Genesis 11:30

Genesis 15:2

‘HEER, mijn God, ‘antwoordde Abram, ‘wat voor zin heeft het mij te belonen? Ik zal kinderloos sterven, en alles wat ik bezit zal het eigendom worden van Eliëzer uit Damascus.
Gerelateerd aan Genesis 11:30

Genesis 21:1

De HEER zag om naar Sara zoals hij had beloofd, hij gaf haar wat hij had toegezegd:
1
2
Volgende