Gerelateerd aan Ezechiel 33:21

Gerelateerd aan Ezechiel 33:21

2 Koningen 25:10

Het Chaldese leger, dat onder zijn bevel stond, haalde de stadsmuren van Jeruzalem neer.
Gerelateerd aan Ezechiel 33:21

Ezechiel 1:2

(2-3) (Op de vijfde dag van die maand, en wel in het vijfde jaar van koning Jojachins ballingschap, richtte de HEER zich tot de priester Ezechiël, de zoon van Buzi, in het land van de Chaldeeën, bij het Kebarkanaal. Daar werd hij door de hand van de HEER gegrepen.)
Gerelateerd aan Ezechiel 33:21

2 Koningen 24:4

Wat de HEER hem vooral niet vergaf, was dat hij onschuldig bloed had vergoten-hij had Jeruzalem gevuld met onschuldig bloed.
Gerelateerd aan Ezechiel 33:21

Ezechiel 24:26

op die dag zal er een overlevende bij je komen om je dat te berichten.
Gerelateerd aan Ezechiel 33:21

2 Koningen 25:4

werd er een bres in de stadsmuur geslagen. Hoewel de Chaldeeën rondom de stad lagen, wisten alle soldaten 's nachts te ontkomen via de poort tussen de beide stadsmuren die uitkwam op de tuin van de koning. De koning vluchtte in de richting van de Jordaanvallei,
Gerelateerd aan Ezechiel 33:21

Ezechiel 40:1

Op de tiende dag van de maand, aan het begin van het vijfentwintigste jaar van onze ballingschap, het veertiende jaar na de val van de stad, op precies die dag werd ik door de hand van de HEER gegrepen en weggevoerd.
Gerelateerd aan Ezechiel 33:21

2 Kronieken 36:17

Toen stuurde hij de koning van de Chaldeeën op hen af, die hun uitgelezen mannen ombracht in hun heilige tempel. Niemand werd gespaard; jonge mannen en vrouwen, oude mensen en ook hoogbejaarden werden aan de koning uitgeleverd.
Gerelateerd aan Ezechiel 33:21

Ezechiel 32:1

Op de eerste dag van de twaalfde maand in het twaalfde jaar richtte de HEER zich tot mij:
Gerelateerd aan Ezechiel 33:21

Jeremia 39:1

-in het negende regeringsjaar van koning Sedekia van Juda, in de tiende maand, kwam koning Nebukadnessar van Babylonië met heel zijn leger bij Jeruzalem aan en sloeg het beleg voor de stad;
Gerelateerd aan Ezechiel 33:21

Jeremia 52:4

In het negende jaar van zijn regering, op de tiende dag van de tiende maand, kwam koning Nebukadnessar van Babylonië met heel zijn leger bij Jeruzalem aan en ze sloegen er hun kamp op. Ze wierpen een wal op rondom de stad