Gerelateerd aan Esther 8:1
Gerelateerd aan Esther 8:1
Esther 2:7
Deze Mordechai was de pleegvader van Hadassa, ook Ester genoemd, die een nicht van hem was en geen vader of moeder meer had. Na de dood van haar ouders had Mordechai haar als dochter aangenomen. Het meisje was lieftallig en mooi.
Gerelateerd aan Esther 8:1
Esther 2:15
Toen het de beurt was van Ester-de dochter van Abichaïl, die een oom was van haar pleegvader Mordechai-verlangde zij niets anders mee te nemen dan wat haar werd aangeraden door Hegai, de eunuch die de koning als haremwachter diende. En allen die Ester zagen, keken vol bewondering naar haar.
Gerelateerd aan Esther 8:1
Spreuken 13:22
Een goed mens laat ook een kleinkind een erfdeel na, een zondaar vergaart bezit voor een rechtvaardige.
Gerelateerd aan Esther 8:1
Psalmen 39:6
(39:7) niet meer dan een schaduw zijn levenspad, niet meer dan lucht wat hij rusteloos najaagt, hij vergaart en weet niet wie het toevalt.'
Gerelateerd aan Esther 8:1
Job 27:16
Al hoopt hij zilver op alsof het stof is, en al vergaart hij kleren alsof het leem is-
Gerelateerd aan Esther 8:1
Esther 7:6
En Ester antwoordde: 'Die meedogenloze vijand, dat is die ellendeling daar, Haman!' Haman kromp ineen van angst voor de koning en de koningin.
Gerelateerd aan Esther 8:1
Lukas 12:20
Maar God zei tegen hem: “Dwaas, nog deze nacht zal je leven van je worden teruggevorderd. Voor wie zijn dan de schatten die je hebt opgeslagen?”
Gerelateerd aan Esther 8:1
Esther 1:14
Zijn meest vertrouwde raadsheren waren Karsena, Setar, Admata, Tarsis, Meres, Marsena en Memuchan, de zeven rijksgroten van Perzië en Medië; zij hadden vrij toegang tot de koning en bekleedden de hoogste posten in het rijk.
Gerelateerd aan Esther 8:1
Spreuken 28:8
Wie zijn bezit vergroot door woekerrente, vergroot het voor wie zich bekommert om verschoppelingen.
Gerelateerd aan Esther 8:1
Prediker 2:18
Van alles waarvoor ik me had afgebeuld onder de zon kreeg ik een afkeer. Ik zou het moeten achterlaten voor mijn opvolger,
Gerelateerd aan Esther 8:1
Psalmen 49:6
(49:7) die vertrouwen op hun vermogen en pronken met hun rijkdom?