Gerelateerd aan Amos 1:7

Gerelateerd aan Amos 1:7

Jeremia 47:1

De HEER richtte de volgende woorden tot de profeet Jeremia over de Filistijnen, voordat de farao Gaza innam.
Gerelateerd aan Amos 1:7

2 Koningen 18:8

Hij was het ook die de Filistijnen terugsloeg en het hele gebied tot aan Gaza en de omliggende dorpen veroverde, van de kleinste wachtpost tot de sterkste vestingstad.
Gerelateerd aan Amos 1:7

Deuteronomium 32:41

Ik wet mijn bliksemend zwaard, ik ga het vonnis voltrekken. Ik zal mij wreken op mijn vijanden, ik reken af met wie mij haatten.
Gerelateerd aan Amos 1:7

Amos 1:4

Ik zal het paleis van Hazaël in vlammen doen opgaan; vuur zal de burchten van Benhadad verteren.
Gerelateerd aan Amos 1:7

Zacharia 9:5

Wanneer Askelon dat ziet, zal het schrikken, en Gaza zal beven van angst. Zo ook Ekron, dat zijn hoop in rook ziet opgaan. Uit Gaza verdwijnt de koning, Askelon raakt ontvolkt,
Gerelateerd aan Amos 1:7

Zefanja 2:4

Gaza zal verlaten zijn, Askelon een woestenij, Asdod wordt midden op de dag ontvolkt, Ekron ontworteld.
Gerelateerd aan Amos 1:7

Psalmen 94:1

God van vergelding, HEER, God van vergelding, verschijn in luister.
Gerelateerd aan Amos 1:7

2 Kronieken 26:6

Zo trok Uzzia ten strijde tegen de Filistijnen. Hij sloeg bressen in de muren van Gat, Jabne en Asdod, en bouwde vestingen in het vorstendom Asdod en andere Filistijnse gebieden.
Gerelateerd aan Amos 1:7

Psalmen 75:7

(75:8) het is God die rechtspreekt en de een vernedert, de ander verheft.
Gerelateerd aan Amos 1:7

Jeremia 25:18

Jeruzalem en de steden van Juda, die in puin zouden vallen; de koningen en leiders, die afschuw en ontzetting zouden wekken, van wie de namen als een vloek zouden worden gebruikt, zoals nu al gebeurt;
Gerelateerd aan Amos 1:7

Romeinen 12:19

Neem geen wraak, geliefde broeders en zusters, maar laat God uw wreker zijn, want er staat geschreven dat de Heer zegt: 'Het is aan mij om wraak te nemen, ik zal vergelden.'
Gerelateerd aan Amos 1:7

Deuteronomium 32:35

voor de dag dat ik wraak ga nemen, het tijdstip waarop ik hun kwaad vergeld, wanneer aan hun voorspoed een einde komt. Want de dag van hun ongeluk is nabij, hun noodlot komt onafwendbaar op hen af.”