Gerelateerd aan 2 Koningen 21:24

Gerelateerd aan 2 Koningen 21:24

2 Koningen 14:5

Toen Amasja de macht eenmaal stevig in handen had, liet hij de hovelingen die zijn vader hadden vermoord ter dood brengen.
Gerelateerd aan 2 Koningen 21:24

2 Kronieken 33:25

Maar het volk doodde allen die tegen koning Amon hadden samengezworen en riep zijn zoon Josia tot zijn opvolger uit.
Gerelateerd aan 2 Koningen 21:24

2 Kronieken 26:1

Het volk van Juda riep Amasja's zestien jaar oude zoon Uzzia tot opvolger van zijn vader uit.
Gerelateerd aan 2 Koningen 21:24

2 Koningen 14:21

Het volk van Juda riep Amasja's zestien jaar oude zoon Azarja tot opvolger van zijn vader uit.
Gerelateerd aan 2 Koningen 21:24

1 Koningen 12:20

De Israëlieten, die hadden gehoord dat Jerobeam was teruggekeerd, lieten hem vragen om voor de volksvergadering te verschijnen. Daar werd hij uitgeroepen tot koning van heel Israël. Er was niemand meer die het koningshuis van David steunde, behalve de stam Juda.
Gerelateerd aan 2 Koningen 21:24

2 Samuel 5:3

De oudsten van Israël kwamen bij de koning in Hebron. Daar sloot koning David ten overstaan van de HEER een verdrag met hen, en zij zalfden hem tot koning van Israël.
Gerelateerd aan 2 Koningen 21:24

1 Koningen 12:1

Rechabeam ging naar Sichem, waar heel Israël was samengekomen om hem tot koning uit te roepen.
Gerelateerd aan 2 Koningen 21:24

1 Samuel 11:15

Heel het volk ging naar Gilgal, waar Saul ten overstaan van de HEER als koning werd ingehuldigd. Ze slachtten dieren voor een vredeoffer ter ere van de HEER en Saul vierde uitbundig feest met alle Israëlieten.
Gerelateerd aan 2 Koningen 21:24

2 Kronieken 22:1

De inwoners van Jeruzalem riepen Achazja tot zijn opvolger uit, omdat Achazja's oudere broers allemaal vermoord waren door de benden die met de Arabieren ten strijde waren getrokken. Achazja, de zoon van koning Joram van Juda, werd dus tot koning uitgeroepen.
Gerelateerd aan 2 Koningen 21:24

2 Koningen 11:17

Jojada bekrachtigde het verbond tussen de HEER en de koning en het volk, zodat zij de HEER weer zouden toebehoren, en ook het verbond tussen de koning en het volk.