SV
3Dat u niemand verleide op enigerlei wijze; want die komt niet, tenzij dat eerst de afval gekomen zij, en dat geopenbaard zij de mens der zonde, de zoon des verderfs;
5Gedenkt gij niet, dat ik, nog bij u zijnde, u deze dingen gezegd heb?
7Want de verborgenheid der ongerechtigheid wordt alrede gewrocht; alleenlijk, Die hem nu wederhoudt, Die zal hem wederhouden, totdat hij uit het midden zal weggedaan worden.
Deze bijbeltekst is ontleend aan aan de Staten Vertaling van 1637