Gerelateerd aan 2 Kronieken 20:1-30
Gerelateerd aan 2 Kronieken 20:1
2 Kronieken 32:1
Nadat Jechizkia met deze maatregelen de HEER trouw had bewezen, viel koning Sanherib van Assyrië Juda binnen en belegerde de versterkte steden, ervan overtuigd dat hij ze met geweld zou kunnen innemen.
Gerelateerd aan 2 Kronieken 20:1
Psalmen 83:5
(83:6) Zij hebben samen plannen gesmeed en zich tegen u verenigd:
Gerelateerd aan 2 Kronieken 20:1
Jeremia 10:24
Straf mij, HEER, maar doe het rechtvaardig, niet uit woede, vaag mij niet weg.
Gerelateerd aan 2 Kronieken 20:1
Jesaja 8:9
Roep op tot de strijd, volken, beef van angst. Luister, volken van de verste hoeken van de aarde. Gord je wapens aan en beef van angst, ja, gord je wapens aan en beef van angst.
Gerelateerd aan 2 Kronieken 20:1
Jesaja 16:6
Wij weten hoe hoogmoedig Moab is-wat is het hooghartig. Wij kennen zijn zelfgenoegzaamheid, zijn eigendunk, zijn grenzeloze eigenwaan. Maar Moabs grootspraak stoelt op niets.
Gerelateerd aan 2 Kronieken 20:1
Openbaring 3:19
Iedereen die ik liefheb wijs ik terecht en bestraf ik. Zet u dus volledig in en breek met het leven dat u nu leidt.
Gerelateerd aan 2 Kronieken 20:1
2 Kronieken 19:11
De hogepriester Amarja stel ik aan als hoogste rechter voor alle zaken met betrekking tot de HEER, en Zebadja, de zoon van Jismaël, het hoofd van de stam Juda, als hoogste rechter voor alle zaken met betrekking tot de koning. Levitische griffiers zullen u ter zijde staan. Ga vastberaden aan het werk; moge de HEER bijstaan wie rechtschapen is.'
Gerelateerd aan 2 Kronieken 20:1
2 Kronieken 19:5
Hij stelde rechters aan in het land, in alle vestingsteden van Juda, niet één uitgezonderd,
Gerelateerd aan 2 Kronieken 20:1
Jesaja 7:1
In de tijd dat Achaz, de zoon van Jotam, de zoon van Uzzia, regeerde over Juda, trok koning Resin van Aram samen met koning Pekach van Israël, de zoon van Remaljahu, op naar Jeruzalem. Hij belegerde de stad, maar slaagde er niet in haar in te nemen.
Gerelateerd aan 2 Kronieken 20:1
2 Kronieken 19:2
De ziener Jehu, de zoon van Chanani, ging de koning tegemoet en zei tegen hem: 'U vond het nodig degenen die de HEER afwijzen te helpen en degenen die hem haten lief te hebben. Daarom hebt u de toorn van de HEER over u afgeroepen.
Gerelateerd aan 2 Kronieken 20:1
1 Kronieken 4:41
In de tijd van koning Hizkia van Juda vielen bovengenoemde familiehoofden het gebied binnen. Ze vernielden de tenten, maakten de bronnen onbruikbaar en verdreven de hele bevolking, die nooit meer is teruggekeerd. Ze zijn er zelf gaan wonen, omdat daar weidegronden voor hun kudden waren.
Gerelateerd aan 2 Kronieken 20:2
Genesis 14:7
Daarna keerden ze terug over En-Mispat, het huidige Kades, en onderwierpen met harde hand het hele gebied van de Amalekieten en ook de Amorieten die in Chaseson-Tamar woonden.
Gerelateerd aan 2 Kronieken 20:2
1 Samuel 23:29
(24:1) David trok zich met zijn mannen terug in de rotsholen in de buurt van Engedi.
Gerelateerd aan 2 Kronieken 20:2
Numeri 34:12
Daarna loopt hij nog verder omlaag, volgt de Jordaan en komt uit bij de Zoutzee. Dat zijn de grenzen van het land dat voor jullie bestemd is."'
Gerelateerd aan 2 Kronieken 20:2
Hooglied 1:14
Mijn lief is mij een hennatros in de wijngaarden van Engedi.
Gerelateerd aan 2 Kronieken 20:2
Jozua 3:16
kwam het water tot stilstand en vormde het een dam, heel in de verte bij de stad Adam, die vlak bij Saretan ligt. Het water dat naar de Zoutzee ging, ofwel de Dode Zee, stroomde helemaal weg. Het volk trok over ter hoogte van Jericho.
Gerelateerd aan 2 Kronieken 20:2
Genesis 14:3
De laatsten trokken gezamenlijk op naar de Siddimvallei, nu de Zoutzee.
Gerelateerd aan 2 Kronieken 20:2
Jozua 15:62
Nibsan, Ir-Hammelach en Engedi. Zes steden met de omliggende dorpen.
Gerelateerd aan 2 Kronieken 20:3
2 Kronieken 19:3
Gelukkig hebt u ook goede dingen gedaan: u hebt het land gezuiverd van Asjerapalen en uw hart op God gericht.'
Gerelateerd aan 2 Kronieken 20:3
Jeremia 36:9
In de negende maand van het vijfde regeringsjaar van koning Jojakim van Juda, toen de inwoners van Jeruzalem en de Judeeërs die uit andere steden naar Jeruzalem waren gekomen, ten overstaan van de HEER een vasten hielden,
1
2
3
4
5
6
7