Gerelateerd aan 2 Koningen 9:26
Gerelateerd aan 2 Koningen 9:26
2 Kronieken 25:4
Maar hun kinderen doodde hij niet, want hij hield zich aan wat geschreven staat in het boek van Mozes, in de wet die door de HEER is opgelegd: 'Ouders zullen niet sterven om wat hun kinderen hebben misdaan, en kinderen niet om de misdaden van hun ouders; alleen om wat iemand zelf misdaan heeft, zal hij sterven.'
Gerelateerd aan 2 Koningen 9:26
Exodus 20:5
Kniel voor zulke beelden niet neer, vereer ze niet, want ik, de HEER, uw God, duld geen andere goden naast mij. Voor de schuld van de ouders laat ik de kinderen boeten, en ook het derde geslacht en het vierde, wanneer ze mij haten;
Gerelateerd aan 2 Koningen 9:26
2 Kronieken 24:25
Nadat de Arameeërs hem zwaargewond hadden achtergelaten, spanden zijn hovelingen tegen hem samen om de dood van de zoon van de hogepriester Jojada te wreken. Hij werd op zijn ziekbed vermoord. Na zijn dood werd hij begraven in de Davidsburcht, maar hij werd niet bijgezet in de koninklijke grafkamers.
Gerelateerd aan 2 Koningen 9:26
Ezechiel 18:19
"Maar, "vragen jullie, "waarom hoeft de zoon niet te boeten voor de schuld van zijn vader?" Die zoon is mij trouw geweest en heeft het goede gedaan, hij heeft zich aan al mijn geboden gehouden en ze nageleefd, dus zal hij zeker in leven blijven!
Gerelateerd aan 2 Koningen 9:26
Deuteronomium 24:16
Ouders mogen niet ter dood gebracht worden om wat hun kinderen hebben misdaan, en kinderen niet om de misdaden van hun ouders; alleen om wat iemand zelf misdaan heeft, mag hij ter dood gebracht worden.
Gerelateerd aan 2 Koningen 9:26
1 Koningen 21:19
Zeg tegen hem: "Dit zegt de HEER: Je hebt een moord gepleegd en je het bezit van een ander toegeëigend." Zeg hem ook: "Dit zegt de HEER: Op de plaats waar de honden het bloed van Nabot hebben opgelikt, zullen ze ook jouw bloed oplikken."'
Gerelateerd aan 2 Koningen 9:26
Deuteronomium 5:9
Kniel voor zulke beelden niet neer, vereer ze niet, want ik, de HEER, uw God, duld geen andere goden naast mij. Voor de schuld van de ouders laat ik de kinderen boeten, en ook het derde geslacht en het vierde, wanneer ze mij haten;