Gerelateerd aan 1 Koningen 14:3
Gerelateerd aan 1 Koningen 14:3
1 Samuel 9:7
'Als we dat doen, 'vroeg Saul, 'wat kunnen we die man dan geven? Onze mondvoorraad is op, dus we kunnen hem niets te eten aanbieden. En verder hebben we toch niets bij ons?'
Gerelateerd aan 1 Koningen 14:3
2 Koningen 4:42
Op een keer kwam iemand uit Baäl-Salisa Elisa opzoeken. Hij bracht twintig gerstebroden voor de godsman mee, gebakken van meel uit de nieuwe oogst, en een zakje vers graan. Elisa droeg zijn bediende op dit als maal aan de profeten voor te zetten.
Gerelateerd aan 1 Koningen 14:3
1 Koningen 13:7
Toen zei de koning: 'Kom met mij mee naar huis, dan kunt u zich verkwikken. En ik zal u een geschenk geven.'
Gerelateerd aan 1 Koningen 14:3
2 Koningen 5:15
Toen keerde hij met zijn hele gevolg naar Elisa terug, maakte bij de godsman zijn opwachting en zei: 'Ik wist wel dat er behalve in Israël in de hele wereld geen God is. Alstublieft, neemt u een geschenk van uw dienaar aan.'
Gerelateerd aan 1 Koningen 14:3
Johannes 11:3
De zusters stuurden iemand naar Jezus met de boodschap: ‘Heer, uw vriend is ziek.’
Gerelateerd aan 1 Koningen 14:3
2 Koningen 1:2
Achazja was uit het venster gevallen van een vertrek op de bovenverdieping van zijn paleis in Samaria, en zwaargewond geraakt. Hij stuurde boden uit met de opdracht Baäl-Zebub, de god van Ekron, te raadplegen. 'Vraag hem of ik mijn val zal overleven.'
Gerelateerd aan 1 Koningen 14:3
2 Koningen 8:7
Op een keer kwam Elisa naar Damascus, juist toen koning Benhadad van Aram ziek was. Men vertelde de koning dat de godsman was gekomen,
Gerelateerd aan 1 Koningen 14:3
Lukas 7:2
Een centurio die daar woonde had een slaaf die ernstig ziek was en op sterven lag; de centurio was erg op deze slaaf gesteld.
Gerelateerd aan 1 Koningen 14:3
2 Koningen 5:5
Daarop zei de koning van Aram: 'Ga erheen. Ik zal u een brief meegeven voor de koning van Israël.' Naäman ging op weg, met tien talent zilver bij zich, zesduizend sjekel goud en tien stel kleren.
Gerelateerd aan 1 Koningen 14:3
Johannes 4:47
Omdat hij gehoord had dat Jezus uit Judea naar Galilea was teruggekeerd, was hij naar hem toe gekomen, en nu vroeg hij of Jezus mee wilde gaan om zijn zoon, die op sterven lag, te genezen.