Gerelateerd aan 1 Kronieken 9:16

Gerelateerd aan 1 Kronieken 9:16

Nehemia 11:17

Mattanja, die de zoon was van Micha, de zoon van Zabdi, de zoon van Asaf, was de voorzanger die de lofprijzing bij het gebed aanheft, en verder waren er Bakbukja, zijn plaatsvervanger, en Abda, de zoon van Sammua, de zoon van Galal, de zoon van Jedutun.
Gerelateerd aan 1 Kronieken 9:16

1 Kronieken 25:6

Zij allen begeleidden hun vaders Asaf, Jedutun en Heman op cimbalen, harpen en lieren bij de lofzang in de tempel van de HEER, en luisterden zo, volgens de aanwijzingen van de koning, de dienst in de tempel van de HEER op.
Gerelateerd aan 1 Kronieken 9:16

1 Kronieken 12:25

(12:26) uit de stam Simeon: 7100 dappere krijgslieden;
Gerelateerd aan 1 Kronieken 9:16

1 Kronieken 25:3

Uit de familie van Jedutun: Jedutuns zes zonen Gedalja, Seri, Jesaja, Chasabja en Mattitja. Zij begeleidden hun vader Jedutun wanneer hij onder begeleiding van de lier zong om de HEER te loven en te prijzen.
Gerelateerd aan 1 Kronieken 9:16

Nehemia 7:26

188 inwoners van Betlehem en Netofa
Gerelateerd aan 1 Kronieken 9:16

2 Kronieken 35:15

Ook de zangers, de nakomelingen van Asaf, konden op hun post blijven, zoals koning David en zijn zieners aan Asaf, Heman en Jedutun bevolen hadden, evenals de poortwachters die bij alle poorten stonden opgesteld. Er was niets dat hen ervan weerhield hun plicht te vervullen, want hun verwanten, de Levieten, bereidden voor hen het pesachoffer.
Gerelateerd aan 1 Kronieken 9:16

Nehemia 12:28

De tempelzangers werden bijeengeroepen vanuit de streek rondom Jeruzalem en vanuit de nederzettingen bij Netofa,
Gerelateerd aan 1 Kronieken 9:16

1 Kronieken 25:1

De nakomelingen van Asaf, Heman en Jedutun werden door David en de hoofden van de eredienst van de gewone taken vrijgesteld om de lofliederen te zingen onder begeleiding van lieren, harpen en cimbalen. Hier volgt de lijst van de mannen die deze taak moesten verrichten:
Gerelateerd aan 1 Kronieken 9:16

1 Kronieken 2:54

Van Salma stammen de bewoners van Betlehem, Netofa en Atrot-bet-Joab af, half Manachat, de Sorieten