Gerelateerd aan 1 Koningen 12:1

Gerelateerd aan 1 Koningen 12:1

2 Kronieken 10:1

Rechabeam ging naar Sichem, waar heel Israël was samengekomen om hem tot koning uit te roepen.
Gerelateerd aan 1 Koningen 12:1

Richteren 9:6

Daarop kwamen de burgers van Sichem en Bet-Millo bij de eik bij het gedenkteken in Sichem bijeen en riepen Abimelech tot koning uit.
Gerelateerd aan 1 Koningen 12:1

Jozua 24:32

De beenderen van Jozef, die het volk van Israël uit Egypte had meegevoerd, werden begraven in Sichem, op het stuk land dat Jakob voor honderd qesita had gekocht van de zonen van Chamor, onder wie Sichem. De nakomelingen van Jozef kregen dit stuk land in bezit.
Gerelateerd aan 1 Koningen 12:1

Genesis 12:6

trok Abram het land door tot aan de eik van More, bij Sichem. In die tijd werd het land bewoond door de Kanaänieten.
Gerelateerd aan 1 Koningen 12:1

Psalmen 60:6

(60:8) God heeft gesproken in zijn heiligdom: 'Juichend zal ik Sichem verdelen, het dal van Sukkot uitmeten.
Gerelateerd aan 1 Koningen 12:1

1 Koningen 11:43

tot hij bij zijn voorouders te ruste ging. Hij werd begraven in de Davidsburcht, en zijn zoon Rechabeam volgde hem op.
Gerelateerd aan 1 Koningen 12:1

Jozua 24:1

Jozua riep alle stammen van Israël bijeen in Sichem. Nadat hij de oudsten, stamhoofden, rechters en griffiers zich ten overstaan van God had laten opstellen,
Gerelateerd aan 1 Koningen 12:1

Jozua 20:7

De Israëlieten verklaarden de volgende steden tot vrijplaats: Kedes in Galilea, in het bergland van Naftali; Sichem in het bergland van Efraïm; Kirjat-Arba (het huidige Hebron) in het bergland van Juda;
Gerelateerd aan 1 Koningen 12:1

Genesis 33:18

Op zijn tocht vanuit Paddan-Aram kwam Jakob ook in Sichem, een stad in Kanaän. Toen hij daar behouden aangekomen was, sloeg hij ten oosten van die stad zijn kamp op.
Gerelateerd aan 1 Koningen 12:1

Handelingen 7:16

ze werden overgebracht naar Sichem en bijgezet in het graf dat Abraham van de zonen van Chamor uit Sichem had gekocht.
Gerelateerd aan 1 Koningen 12:1

Richteren 9:1

Abimelech, de zoon van Jerubbaäl, ging naar Sichem, waar de familie van zijn moeder woonde, en zei tegen zijn ooms en zijn neven: