Open de Bijbel

Ruth 2:4-8
NBV 4 Na enige tijd kwam Boaz zelf eraan, uit Betlehem. 'De HEER zij met jullie, 'groette hij de maaiers. 'De HEER zegene u, 'groetten zij terug. 5 Boaz vroeg de voorman van zijn maaiers: 'Bij wie hoort die jonge vrouw daar?' 6 De man antwoordde: 'Dat is de Moabitische vrouw die met No├Âmi is teruggekeerd. 7 Toen ze hier aankwam zei ze: "Ik zou graag achter de maaiers aan willen gaan om aren te lezen bij de schoven, "en nu is ze hier al de hele dag, vanaf de vroege ochtend-ze heeft maar even gezeten.' 8 Daarop zei Boaz tegen Ruth: 'Luister goed, mijn dochter. Je moet niet naar een andere akker gaan om aren te lezen; ga hier niet weg maar blijf dicht bij de vrouwen die voor mij werken. Deze bijbeltekst is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004.
SV 4 En ziet, Boaz kwam van Bethlehem, en zeide tot de maaiers: De HEERE zij met ulieden! En zij zeiden tot hem: De HEERE zegene u! 5 Daarna zeide Boaz tot zijn jongen, die over de maaiers gezet was: Wiens is deze jonge vrouw? 6 En de jongen, die over de maaiers gezet was, antwoordde en zeide: Deze is de Moabietische jonge vrouw, die met Naomi wedergekomen is uit de velden Moabs; 7 En zij heeft gezegd: Laat mij toch oplezen en aren bij de garven verzamelen, achter de maaiers; zo is zij gekomen en heeft gestaan van des morgens af tot nu toe; nu is haar te huis blijven weinig. 8 Toen zeide Boaz tot Ruth: Hoort gij niet, mijn dochter? Ga niet, om in een ander veld op te lezen; ook zult gij van hier niet weggaan, maar hier zult gij u houden bij mijn maagden.Deze bijbeltekst is ontleend aan aan de Staten Vertaling van 1637
KJV 4 And, behold, Boaz came from Bethlehem, and said unto the reapers, The LORD be with you. And they answered him, The LORD bless thee. 5 Then said Boaz unto his servant that was set over the reapers, Whose damsel is this? 6 And the servant that was set over the reapers answered and said, It is the Moabitish damsel that came back with Naomi out of the country of Moab: 7 And she said, I pray you, let me glean and gather after the reapers among the sheaves: so she came, and hath continued even from the morning until now, that she tarried a little in the house. 8 Then said Boaz unto Ruth, Hearest thou not, my daughter? Go not to glean in another field, neither go from hence, but abide here fast by my maidens:Deze bijbeltekst is ontleend aan aan de King James Version