Open de Bijbel

Psalmen 53:1-4
NBV1 Voor de koorleider. Op de wijs van De rietpijp. Een kunstig lied van David. (53:2) Dwazen denken bij zichzelf: Er is geen God. Verdorven zijn ze, en gruwelijk is hun onrecht, geen van hen deugt. 2 (53:3) God kijkt vanuit de hemel naar de mensen om te zien of er één verstandig is, één die God zoekt. 3 (53:4) Allen zijn afgegleden, allen ontaard, geen van hen deugt, niet één. 4 (53:5) Hebben ze dan geen inzicht, die kwaadstichters? Ze verslinden mijn volk of het brood is en God roepen ze niet aan. Deze bijbeltekst is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004.
SV1 Een onderwijzing van David, voor den opperzangmeester, op Machalath. 2 De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God; zij verderven het, en zij bedrijven gruwelijk onrecht; er is niemand, die goed doet. 3 God heeft van den hemel nedergezien op de mensenkinderen, om te zien, of iemand verstandig ware, die God zocht. 4 Een ieder van hen is teruggekeerd, te zamen zijn zij stinkende geworden, er is niemand, die goed doet, ook niet een.Deze bijbeltekst is ontleend aan aan de Staten Vertaling van 1637
KJV1 The fool hath said in his heart, There is no God. Corrupt are they, and have done abominable iniquity: there is none that doeth good. 2 God looked down from heaven upon the children of men, to see if there were any that did understand, that did seek God. 3 Every one of them is gone back: they are altogether become filthy; there is none that doeth good, no, not one. 4 Have the workers of iniquity no knowledge? who eat up my people as they eat bread: they have not called upon God.Deze bijbeltekst is ontleend aan aan de King James Version