Open de Bijbel

Psalmen 14:1-3
NBV1 Voor de koorleider. Van David. Dwazen denken: Er is geen God. Verdorven zijn ze, en gruwelijk hun daden, geen van hen deugt. 2 De HEER kijkt vanuit de hemel naar de mensen om te zien of er één verstandig is, één die God zoekt. 3 Allen zijn afgedwaald, allen ontaard, geen van hen deugt, niet één. Deze bijbeltekst is ontleend aan De Nieuwe Bijbelvertaling, © Nederlands Bijbelgenootschap 2004.
SV1 Een psalm van David, voor den opperzangmeester. De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God. Zij verderven het, zij maken het gruwelijk met hun werk; er is niemand, die goed doet. 2 De HEERE heeft uit den hemel nedergezien op de mensenkinderen, om te zien, of iemand verstandig ware, die God zocht. 3 Zij zijn allen afgeweken, te zamen zijn zij stinkende geworden; er is niemand, die goed doet, ook niet een.Deze bijbeltekst is ontleend aan aan de Staten Vertaling van 1637
KJV1 The fool hath said in his heart, There is no God. They are corrupt, they have done abominable works, there is none that doeth good. 2 The LORD looked down from heaven upon the children of men, to see if there were any that did understand, and seek God. 3 They are all gone aside, they are all together become filthy: there is none that doeth good, no, not one.Deze bijbeltekst is ontleend aan aan de King James Version