Psalmen 1:1-50

NBV

1Gelukkig de mens die niet meegaat met wie kwaad doen, die de weg van zondaars niet betreedt, bij spotters niet aan tafel zit,
2maar vreugde vindt in de wet van de HEER en zich verdiept in zijn wet, dag en nacht.
3Hij zal zijn als een boom, geplant aan stromend water. Op tijd draagt hij vrucht, zijn bladeren verdorren niet. Alles wat hij doet komt tot bloei.
4Zo niet de wettelozen! Zij zijn als kaf dat verwaait in de wind.
5Wettelozen houden niet stand waar recht heerst, zondaars niet in de kring van de rechtvaardigen.
6De HEER beschermt de weg van de rechtvaardigen, de weg van de wettelozen loopt dood.

SV

1Welgelukzalig is de man, die niet wandelt in de raad der goddelozen, noch staat op den weg der zondaren, noch zit in het gestoelte der spotters;
2Maar zijn lust is in des HEEREN wet, en hij overdenkt Zijn wet dag en nacht.
3Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken, die zijn vrucht geeft op zijn tijd, en welks blad niet afvalt; en al wat hij doet, zal wel gelukken.
4Alzo zijn de goddelozen niet, maar als het kaf, dat de wind henendrijft.
5Daarom zullen de goddelozen niet bestaan in het gericht, noch de zondaars in de vergadering der rechtvaardigen.
6Want de HEERE kent den weg der rechtvaardigen; maar de weg der goddelozen zal vergaan.

KJV

1Blessed is the man that walketh not in the counsel of the ungodly, nor standeth in the way of sinners, nor sitteth in the seat of the scornful.
2But his delight is in the law of the LORD; and in his law doth he meditate day and night.
3And he shall be like a tree planted by the rivers of water, that bringeth forth his fruit in his season; his leaf also shall not wither; and whatsoever he doeth shall prosper.
4The ungodly are not so: but are like the chaff which the wind driveth away.
5Therefore the ungodly shall not stand in the judgment, nor sinners in the congregation of the righteous.
6For the LORD knoweth the way of the righteous: but the way of the ungodly shall perish.